ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

TAALBEWUST LESGEVEN OP HET MBO

TAALBEWUST LESGEVEN OP HET MBO

Naar betere taalprestaties op mbo-entree en niveau 2

Auteurs
Annemarie Groot, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo)
Tiba Bolle en Inge van Meelis, Instituut voor Taalonderzoek en Taalonderwijs Amsterdam (ITTA)

september 2016

De taalvaardigheid van mbo-studenten aan een entree- en niveau 2-opleiding baart nog altijd zorgen. Ook na de invoering van landelijke diploma-eisen. Zo scoort een vijfde van de niveau 2-studenten bij de centrale examinering lager dan een 5. Dik onvoldoende dus. Wat moet er in het onderwijs gebeuren om het niveau van lezen, schrijven, spreken en luisteren effectief te verbeteren? Sleutels voor betere taalprestaties, óók op de lagere mbo-niveaus.
 

Tekortschietende taalbeheersing, een hardnekkig probleem

 
Het probleem dateert niet van vandaag of gisteren. Al in 2004 luidden mbo-docenten collectief de noodklok. Tachtig procent van de docenten op niveau 1 en 2 was van oordeel dat het niveau van lezen, schrijven, spreken en luisteren van studenten op de mbo-niveaus 1 en 2 tekortschoot voor de beroepspraktijk (Neuvel, Bersée, Den Exter en Tijssen (2004). Ruim de helft van de docenten vond het taalniveau van de studenten onvoldoende om de opleiding op het mbo naar behoren te kunnen volgen. Een paar jaar later bleek ook uit internationaal onderzoek onder 15-jarigen (PISA) dat Nederlandse jongeren minder goed presteerden op taal dan voorheen (Cito, 2008).

De Onderwijsraad legde de mogelijke oorzaak bij de mbo-instellingen zelf: er werd weinig tijd aan taalonderwijs besteed (Onderwijsraad, 2006). Daarmee was de maatschappelijke onrust over het taalniveau van Nederlandse jongeren een feit. De kwestie raakte hoog op de politieke agenda. En dat leidde uiteindelijk tot landelijke diploma-eisen voor Nederlands in de wet Referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Doel: een nieuwe impuls aan het Nederlands in het mbo, waardoor ook de taalniveaus van studenten op entree- en niveau 2-opleidingen omhoog zouden gaan.

Taalvaardigheid van essentieel belang


Dat taalvaardigheden essentieel zijn voor studiesucces is onomstreden. Lessen op entree- en mbo 2-opleidingen worden in het Nederlands gegeven, lesboeken zijn in het Nederlands en toetsvragen worden in het Nederlands gesteld. Taal speelt dan ook een belangrijke rol bij het leren, ongeacht wat er geleerd wordt. Dat blijkt ook uit onderzoek. Om optimaal te kunnen profiteren van instructie die gegeven wordt, is het belangrijk dat studenten voldoende vaardig zijn in begrijpend lezen en luisteren (Harms & Kalsbeek, 2013; Kamil e.a., 2008). Een laag niveau leesvaardigheid zal een negatief effect hebben op alle andere vakken (Van Gelderen, 2011).

Uit onderzoek van de Rijksuniversiteit van Groningen kwam eerder al naar voren dat een kwart van de leerlingen in de basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen van het vmbo de teksten in schoolboeken niet goed begrijpt (Hacquebord, 2004). En onderzoek naar leesvaardigheid heeft herhaaldelijk laten zien dat leesattitude en leesbegrip belangrijke voorspellers zijn voor schoolprestaties en voortijdig schoolverlaten (Stoop, Stoop, Carter & Tijms, 2015). Een voorbeeld daarvan is onderzoek over de rol van vrijetijdslezen door Mol en Bus (2011). Uitkomst: kinderen en jongeren (op alle onderwijsniveaus) die in hun vrije tijd lezen, zijn niet alleen taalvaardiger en beter in lezen, maar ook wat intelligenter en succesvoller op school dan hun minder vaak lezende leeftijdsgenoten.

Naast leesvaardigheid is ook het niveau van mondelinge taalvaardigheid en schrijfvaardigheid van belang om goed te kunnen functioneren als beroepsbeoefenaar (Elbers, 2012). Denk aan de communicatie van een zorghulp met cliënten, het verkoopgesprek van een verkoopmedewerker of het vergaderverslag van een secretarieel medewerker. Alle studenten zullen verder ook gebruik moeten maken van vakspecifieke terminologie. Op welke vaardigheid het accent ligt, zal per opleiding verschillen, maar er zijn allerlei taken die een beroepsbeoefenaar veelvuldig zal uitvoeren en waarbij kennis van het vak alleen niet voldoende is.

Taal en beroepsgerichte vakken


Alle reden dus om groot belang te hechten aan adequate taalbeheersing. Oók op de lagere mbo-niveaus. Maar wat moet er dan gebeuren? Hoe zorg je ervoor dat taalzwakke studenten op de laagste mbo-niveaus werk maken van hun taalvaardigheid? Algemene vakken als Nederlands (maar ook rekenen en burgerschap) zijn meestal niet geliefd. Daar begint het al mee. Belangrijk is daarom dat studenten inzien dat wat ze leren nuttig is voor hun loopbaan en dat zij leren in betekenisvolle, levensechte contexten (Elffers, 2011). Een combinatie tussen taal- en vakonderwijs lijkt voor de hand liggend en is ook noodzakelijk. Van Knippenberg geeft aan dat het onderwijzen van Nederlands niet beperkt kan blijven tot de docent Nederlands. Abstracte vaktaalwoorden kunnen alleen betekenis krijgen in de vakles (Van Knippenberg, 2010).

Kennisontwikkeling en taalontwikkeling versterken elkaar. Als de radertjes maar op de juiste manier in elkaar grijpen. Een (vak)taal leren, betekent leren toepassen van woorden, (vak)begrippen en taalregels in betekenisvolle situaties. In een stimulerende leeromgeving is het taalaanbod betekenisvol en leerzaam (Bogaert & Van den Branden, 2011). Systematische aandacht voor woordenschatverwerving in alle vakken is onontbeerlijk (Alons, E.M. 2008). In de functionele context is er ook aandacht nodig voor taalverzorging: het willen en het kunnen toepassen van de regels van de taal. Leerlingen verbeteren hun taalvaardigheid door ervaring op te doen met de relatie tussen inhoud en vorm (Bogaert & Van den Branden, 2011). Op het juiste moment aandacht besteden aan de taalvorm (focus on form) zal het proces van taalleren versnellen (Kuiken, 2006).

Samenwerking taal- en vakdocent


Uit onderzoek blijkt echter eveneens dat een dergelijke focus op taal, door de hele opleiding heen, nog niet zo eenvoudig is. Raaphorst en Steehouder concluderen bijvoorbeeld dat de rol en de taken van de vakdocent vrij vaag blijven: het is onduidelijk wat de vakdocent zou moeten doen om te werken aan taalvaardigheid (Raaphorst & Steehouder, 2011). Ook Elbers geeft aan dat de meeste studies over geïntegreerd taal/vakonderwijs aantonen dat de samenwerking tussen taal- en vakdocenten moeizaam verloopt. Daarnaast zijn vakdocenten niet altijd even zeker over hun talige kennis (Van Knippenberg, 2010). Docenten van de beroepsgerichte vakken lijken er bovendien niet zo zwaar aan te tillen: ze gaan ervan uit dat studenten, ook op mbo 2, wel over voldoende taalvaardigheden beschikken om hun lesstof te begrijpen (Harms & Kalsbeek, 2013).

Gelukkig zijn er ook voorbeelden te vinden in de literatuur van een wél goed werkende samenwerking tussen taal- en vakdocent. Zo beschrijft Van Koeven hoe op een entree-opleiding door het hele team aan leesvaardigheid wordt gewerkt (Van Koeven, 2015). Uit haar onderzoek blijkt dat het fungeren als rolmodel, juist door de vakdocent, krachtig is. Zij suggereert dat een vakdocent die (veel) leest misschien nog wel een krachtiger voorbeeldfunctie heeft dan een leraar Nederlands, van wie een interesse voor lezen immers verwacht wordt.

Ook Koster (2015) laat in haar onderzoek zien dat samenwerking tussen taaldocent en docenten beroepsgerichte vakken succesvol kan zijn. Het onderzoek richt zich op mbo-docenten van mbo 3- en 4-opleidingen. Door verschillende bewustwordingsinterventies bij de docenten van beroepsgerichte vakken ontstond een grotere betrokkenheid om gemeenschappelijk te werken aan de verbetering van taalvaardigheden. Alle docenten in het onderzoek bleken aandacht voor taal belangrijk te vinden en onbewust ook al veel met taal bezig te zijn. Kenmerkend in het onderzoek is het gemeenschappelijke doel dat alle docenten voor ogen hadden, waarbij de vakgroep Nederlands de beroepsgerichte docenten ondersteunde. Dit uitte zich in instructies geven hoe het begrip van vakwoorden gecontroleerd kan worden, maar ook door eisen op te stellen waaraan schrijfproducten moeten voldoen.

Krachtige taalleersituaties


Bolle en Meelis geven nog meer voorbeelden hoe een docent van veel voorkomende onderwijssituaties krachtige taalleersituaties kan maken (Bolle & Meelis, 2014). Zo kan in de les Nederlands aandacht besteed worden aan de stageopdrachten, vakteksten uit de studieboeken en aan projecten die voor andere vakken moeten worden uitgevoerd. Vakdocent en docent Nederlands kunnen gezamenlijk de student ondersteunen bij het voorbereiden en feedback geven op presentaties, gesprekken en verslagen. Studenten boeken op die manier betere resultaten in de taal- en de vaklessen en zijn meer betrokken en gemotiveerd. Wie krachtige lessituaties creëert, waarin aandacht is voor inhoud en vorm (het taalgebruik), maakt het onderwijs begrijpelijker, leerzamer en aantrekkelijker.

Motivatie als sleutel tot leren


Motivatie geldt als gouden sleutel tot alle vormen van leren. Dus ook als het gaat om het verwerven van taalvaardigheden. Gemotiveerde studenten zijn actief, staan open voor feedback, laten zich uitdagen en proberen zichzelf continu te verbeteren. Dat stimuleert hen beter te letten op hun taalgebruik en biedt een ander perspectief op het vak Nederlands.

Wat is bepalend voor motivatie? In de literatuur worden een aantal aspecten genoemd die van invloed zijn. De factoren autonomie, verbondenheid en competentie zijn doorslaggevend (zie ook canon lemma ‘Creëren van een motiverende leeromgeving’) (Vansteenkiste, Sierens, Soelens & Lens, 2007). Studenten moeten keuzes kunnen maken en enige vorm van regie op hun eigen leerproces krijgen. Daarnaast is aangetoond dat samenwerkend leren, wat stoelt op veel interactie tussen studenten, een positief effect heeft op het gevoel van verbondenheid tussen studenten onderling en op het vertrouwen in eigen kunnen (Schuit et al., 2011). Interactie draagt daarom ook bij aan de motivatie van studenten.

Een zinvolle manier om studenten meer bij de les te betrekken, is voorkennis activeren (Marzano, 2008). Tenslotte blijkt feedback voor studenten belangrijk omdat het ze laat zien wat goed is gegaan in de uitvoering van een taak en wat dus voor herhaling vatbaar is (Hattie & Timperley, 2007). Elk compliment over wat een student zelf heeft bereikt draagt bij aan zijn gevoel van competentie (Stevens, 2010). En zich competent voelen is een belangrijke aspect van motivatie.

Motivatie wordt gezien als de motor van het leren. Met die motivatie als grondslag formuleren Bolle en Meelis vijf bondige vuistregels van taalbewust beroepsonderwijs om optimaal leerrendement te verkrijgen. Het gaat om effectieve didactiek, zowel voor onderwijs in beroepslessen als voor de lessen Nederlands (Bolle & Meelis, 2014).

Klik hier voor een omschrijving van de vijf vuistregels.
 

Afsluitend


De invoering van diploma-eisen Nederlands heeft nog niet het beoogde effect gesorteerd. De resultaten op de centrale examinering laten zien dat bijna 1 op de 5 (19%) van de mbo-studenten op niveau 2 in 2014-2015 een cijfer onder de 5 haalt (CvTE, 2015). Of de resultaten beter worden, moet nog blijken. Vooralsnog gaat het in ieder geval om een aanzienlijk deel van de studenten op niveau 2, voor wie meer aandacht voor taalvaardigheid nodig is.

Wat het entree-niveau betreft, het onderzoek van Van Koeven laat zien dat hier de verschillen tussen studenten nog steeds groot zijn. Sommigen scoren onder het basisschoolniveau (1F), anderen hebben al het eindniveau van de opleiding of hoger bereikt (Van Koeven, 2015).

De sleutel voor betere resultaten ligt bij de samenwerking tussen taaldocenten en vakdocenten. Samenwerkende docenten kunnen de betekenisvolle, taalrijke beroepsopdrachten en beroepsgerichte taalopdrachten bieden die studenten motiveren om hun taalvaardigheid te ontwikkelen.  Daar waar vakdocenten taalontwikkeling van de studenten belangrijk vinden en eisen aan het taalgebruik van de studenten stellen, zie je dat studenten worden uitgedaagd betere taalprestaties te leveren. Oók, of misschien wel júist, op de lagere mbo-niveaus.
 

Enkele deskundigen:


Dr. Erna van Koeven, Expert taal en lezen Windesheim
Dr. Marja van Knippenberg, Beleidsadviseur ROC Mondriaan

Bronnen:


  • Alons, E.M., et al. (2008). Taal is cruciaal. Taalontwikkeling in het mbo – taalcoaches aan de slag in vakteams. Ede: Procesmanagement MBO2010.
  • Bogaert, N. & Branden, IC van den (2011). Handboek taalbeleid secundair onderwijs. Leuven: Acco.
  • Bolle, T. (2009). Drieslag Taal. Ede: Procesmanagement MBO2010. 
  • Bolle, T & Meelis, van I. (2014). Taalbewust beroepsonderwijs. Vijf vuistregels voor effectieve didactiek. Bussum: Coutinho.
  • Cito (2008). Samenvatting resultaten PISA-2006. Praktische kennis en vaardigheden 15-jarigen. Arnhem: Cito.
  • Elffers, L. (2011). The transition to post-secondary vocational education. Students’ entrance, experiences, and attainment. Proefschrift Universiteit van Amsterdam.
  • Elbers, E. (2012). Iedere les een taalles? Taalvaardigheid en vakonderwijs in het (v)mbo. De stand van zaken in theorie en onderzoek. Utrecht en Den Haag: Universiteit Utrecht en PROO.
  • Gelderen, van A. & Schooten, van E. (2011). Taalonderwijs; een kwestie van ontkavelen. Openbare les in duplo. Hogeschool Rotterdam: Rotterdam.
  • Hajer, M & Meestringa. T (2009). Handboek taalgericht vakonderwijs. Bussum: Uitgeverij Coutinho. 
  • Harms, T. & Kalsbeek, M. (2013). Leren begrijpend lezen en luisteren in mbo 2. Groningen: Gronings instituut voor Onderzoek van Onderwijs, Rijksuniversiteit Groningen.
  • Hattie, J. & Timperley, H. (2007). The power of feedback. Review of Educational Research, 77(1), 81-112.
  • Kamil, M. L., Borman, G.D., Dole, J., Kral, C.C., Salinger, T. & Torgesen, J. (2008). Improving adolescent literacy: effective classroom and intervention practices: a practice guide (NCEE #2008-4027). Washington, DC: national center for education evaluation and regional assistance, Institute of education sciences, U.S. Department of Education.
  • Knippenberg, M.A.J. van (2010). Nederlands in het middelbaar beroepsonderwijs. Een casestudy in de opleiding Helpende Zorg. Delft/Zupthen: Eburon.
  • Koeven, van E. (2015). Je vak moet je doen, niet lezen. Vrij lezen in het entree-onderwijs. Amsterdam: Stichting Lezen.
  • Koster, P. (2015). Wie wil werken aan het taalniveau? Een praktijkgericht onderzoek naar passende begeleiding bij het ontwikkelen van gedeelde verantwoordelijkheid voor het taalniveau van leerlingen in het mbo. Zwolle: Windesheim.
  • Kuiken, F. (2006). Focus on Form als alternatief voor grammaticaonderwijs. In: B. Bossers (red.), Vakwerk 3. Achtergronden van de NT2- lespraktijk (pp. 81-94). Amsterdam: BVNT2.
  • Mol, S.E. & Bus, A.G. (2011). Lezen loont een leven lang. De rol van vrijetijdslezen in de taal- en leesontwikkeling van kinderen en jongeren. Levende talen tijdschrift: 3, 3-15.
  • Marzano, R.J. (2013) Wat werkt in de klas. Basalt Educatieve Uitgeverij.
  • Raaphorst, E. & Steehouder, P. (2011) Taal terug op het mbo. Beleid en praktijk van (nieuw) taalonderwijs in het middelbaar beroepsonderwijs. ’s-Hertogenbosch: ecbo.
  • Schuit, H., Vrieze, L de & Sleegers, P. (2011). Studenten motiveren. Een onderzoek naar de rol van leraren. Heerlen: Ruud de Moor Centrum­ Open Universiteit
  • Stevens, L (2010). Zin in onderwijs. Antwerpen/ Apeldoorn: Garant.
  • Stoop, M., Stoop, M., Carter, C. & Tijms, J. (2015). Onderzoeksverslag #BOOK. Bilbiotherapie voor jongeren tussen de 12 en 14 jaar op het vmbo. Amsterdam: Stichting Lezen.
  • Vansteenkiste, M., Sierens E., Soenens, B. & Lens, W. (2007). Willen, moeten en structuur in de klas: over het stimuleren van een optimaal leerproces. Begeleid zelfstandig leren: 16, 37-58. Leuven: Katholieke Universiteit Leuven.

REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN