ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

ACTOREN IN HET MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS

ACTOREN IN HET MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS

Het middelbaar beroepsonderwijs krijgt veel vrienden

Auteurs
Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs

maart 2015

 

Het middelbaar beroepsonderwijs is voor vele geledingen van onze samenleving belangrijk. Voor studenten en hun ouders, voor werkgevers, gemeenten, scholen van waaruit leerlingen naar het mbo gaan (vmbo) en scholen waarop leerlingen van het mbo terechtkomen (hbo). In de eerste helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw, in de aanloop naar nieuwe wetgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs, was voor de overheid een belangrijke vraag of de landelijke politiek en het landelijk beleid de invloed op de gang van zaken in het middelbaar beroepsonderwijs niet met anderen zou moeten delen. De  overheid zou minder moeten regelen en op afstand staan om ruimte te maken voor andere belanghebbenden.

Vanaf dat moment praten steeds meer organisaties mee over het middelbaar beroepsonderwijs, landelijk maar vooral ook in de regio. Deze organisaties worden doorgaans aangeduid met de term ‘actoren’. De term is niet gemunt. Dat wil zeggen dat er geen overzichtslijst is van als actor ‘erkende’ organisaties, of van de onderwerpen waarover actoren mogen meepraten of van de mate waarin hun inbreng moet meewegen. Er is geen wettelijke regeling die de invloed van actoren regelt, zoals die er wel is voor de invloed van het bedrijfsleven. Evenmin is aan specifieke instituties gedacht of zijn bepaalde overlegvormen voorgeschreven. Het is eerder andersom; het is steeds meer gebruikelijk geworden organisaties én personen die betrokken zijn bij het beroepsonderwijs ‘actor’ te noemen. Er zijn inmiddels vele ‘actoren’. Soms worden zelfs degenen die in het onderwijs werken als actor aangeduid, zoals blijkt uit het volgende citaat: “dat het van groot belang is dat een dialoog ontstaat tussen het vo en het mbo, waarbij de uitvoerende actoren in het onderwijs, zoals docenten, mentoren en coaches, nauw betrokken worden.” Inmiddels zijn termen als beleidsactoren, strategische actoren, actoren in de onderwijsontwikkeling, LOB-actoren gangbaar geworden.

De veelheid – en diversiteit van – actoren nodigt uit ze in groepen in te delen. Een grove ordening en opsomming, die absoluut niet volledig is, zou de volgende kunnen zijn:

Op landelijk niveau:
•    Onderwijsbeleid: het ministerie van OCW, het ministerie van EZ (landbouwonderwijs), SBB, MBO Raad, AOC Raad, NTRO, JOB, Onderwijsraad, Inspectie van het Onderwijs
•    Personeel en organisatie: MBO Raad, AOb, O-CNV, CMHF/Unie, AbvaKabo, Beroepsvereniging docenten mbo
•    Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt: brancheorganisaties, SBB, VNO/NCW, FNV, SER
•    Onderwijsinnovatie: Het Platform Beroepsonderwijs, MBO 2010, Platform Bèta Techniek
•    Onderzoek en kennisontwikkeling: ecbo, Cito, SLO, KPC, APS, CPS, NRO, lectoraten van hogescholen

Op schoolniveau
:
•    Gemeenten, provincie
•    Lokale werkgeversorganisaties, KvK, regionaal bedrijfsleven (en hun regio-organisaties)
•    Regionale hulp- en zorginstanties, sportverenigingen
•    Lokale studentenorganisaties
•    Vertegenwoordigers van ouders en van verschillende bevolkingsgroepen
•    Aanpalend onderwijs (vmbo, hbo)
•    Lerarenopleidingen, lectoraten van hogescholen

Hoe meer zielen?

De uitbreiding van het aantal actoren heeft ook schaduwkanten. Zo merkt de Onderwijsraad op dat deze uitbreiding heeft geleid tot een vorm van ‘re-regulering’; voor de regels van de overheid zijn regelingen van actoren in de plaats gekomen. Ook is de rol- en taakafbakening tussen actoren niet altijd helder. Daardoor zijn spanningen tussen actoren niet te vermijden.

Dat er spanningen zouden zijn was vooraf wel voorzien, maar die zouden vanzelf oplossen, getuige de aanname van de overheid uit 1993 dat de actoren  – om in de beeldspraak te blijven – zich aan een toebemeten rol zouden houden: ‘Het nieuwe bestel zal door de aanwijzing en positionering van deze actoren een hoge mate van zelfregulering moeten kennen, waarbij de diverse actoren binnen de aan hen bemeten taken en verantwoordelijkheden kunnen functioneren zonder voortdurende ingrepen en bijsturing door bijvoorbeeld de zijde van de Rijksoverheid’ (geciteerd bij Honing, 2008, 13).

Spanningen kwamen er zeker. Maar niet iedereen was ervan overtuigd dat deze zich uit zichzelf ook weer zouden verdwijnen. Het is weer de Onderwijsraad die in 2001, de WEB is dan vijf jaar ingevoerd, opmerkt dat de in de WEB gecreëerde ruimte voor de verschillende actoren niet automatisch een beter functionerende mbo-sector oplevert en dat de overheid moet bijsturen. Spanningen tussen de wensen van actoren houden de besluitvorming op en gekozen oplossingen resulteren in grote verschillen in de uitvoeringspraktijk. En actoren kunnen elkaar in de weg zitten; besluiten van landelijke actoren kunnen de wensen van lokale actoren frustreren. Verschillen in verwachtingen en wensen kunnen niet altijd worden weggeorganiseerd.

Het openstellen van scholen voor wensen van de omgeving vraagt dus nogal wat en roept effecten op die niet vooraf waren voorzien. Overigens geen reden om naar de oude situatie terug te keren. Actoren en medewerkers en bestuurders van mbo-scholen kunnen in hun rol groeien. Voor scholen is het in ieder geval belangrijk hun regionale partners niet in het idee te bevestigen dat ze hun claims zonder meer op de deurmat van de school kunnen leggen. De school is een focuspunt van meerdere belangen die – met alle actoren – ten opzichte van elkaar gewogen moeten worden. Maar makkelijk is dat niet….

Enkele deskundigen:


Dr. Frans de Vijlder, lector Goed Bestuur en Innovatiedynamiek in Maatschappelijke Organisaties, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Bronnen:


  • Bronneman-Helmers, R. (2011). Overheid en onderwijsbestel. Beleidsvorming rond het Nederlandse Onderwijsstelsel (1990-2010). (dissertatie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Honingh, M.E. (2008). Beroepsonderwijs tussen Publiek en Privaat. Een studie naar opvattingen en gedrag van docenten en middenmanagers in bekostigde en niet-bekostigde onderwijsinstellingen voor middelbaar beroepsonderwijs (dissertatie). Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
  • Lenssen, L. (2011). Hoe sterk is de eenzame fietser? Een onderzoek naar de relatie tussen individuele ontwikkeling en de toegankelijkheid van het onderwijsbestel in Nederland. (dissertatie). Antwerpen-Apeldoorn: Garant.
  • Onderwijsraad (2001). WEB: werk in uitvoering. Een voorlopige evaluatie van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
  • Vink, R., M. Oosterling, M. Vermeulen, T. Eimers, R. Kennis (2010). Doelmatigheid van het middelbaar beroepsonderwijs. Tilburg/Nijmegen: IVA Onderzoek en advies.

REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN