ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

BURGERSCHAP IN HET MBO

BURGERSCHAP IN HET MBO

Docenten in burger

Auteurs
Ellen Verheijen, Expertisecentrum Beroepsonderwijs             

november 2013

Als mbo-docent leid je studenten op voor een beroep. Maar niet alleen dat. Je taak is ook om jongeren te ondersteunen in hun persoonlijke ontwikkeling. In hun ontwikkeling tot verantwoordelijke, actieve en betrokken burgers. Hoe geef je als docent inhoud aan die burgerschapstaak? En over welke vaardigheden moeten jongeren uiteindelijk beschikken?
 

Burgers zijn we allemaal. Maar zijn we ook ‘goede burgers’? Daar kun je heel verschillend over denken. Voor de één betekent goed burgerschap dat iemand zich identificeert met zijn land of zich houdt aan de wetten. Een ander vindt daarnaast een component van ‘actief meedoen’ van belang.

 

Opvattingen over burgerschap

Ons beperkend tot westerse democratieën, zijn drie belangrijke stromingen te onderscheiden in de opvattingen over burgerschap (Vos, 2008):
  1. Liberale opvatting: de nadruk ligt op de juridische status van de burger. Voldoende is dat burgers zich houden aan de wet; verder worden er zo min mogelijk eisen gesteld. De klassieke vrijheidsrechten zijn in deze stroming erg belangrijk.
  2. Neo-republikeinse opvatting: het accent ligt op participatie. Burgers geven met elkaar vorm aan het publieke leven en dat kan/mag pluriform zijn. De landstaal kunnen spreken is belangrijk binnen deze visie, evenals politieke participatie.
  3. Communitaristische opvatting: participeren alleen is niet genoeg, een burger is pas écht burger als hij of zij betrokkenheid voelt bij de samenleving waarin hij leeft. Gemeenschapsdenken staat centraal in deze opvatting: een zekere loyaliteit en een sterke binding en identificatie met de samenleving.


Burgerschap in het Nederlandse onderwijs

Hoe past het Nederlandse denken over burgerschap in dit drie-stromingenmodel? Een belangrijke vraag, want dat is vanzelfsprekend bepalend voor de inhoud van het onderwijs op dit vlak. Laten we zien wat de wet voorschrijft. Dat is in dit geval de Wet Bevordering actief burgerschap en sociale integratie. Burgerschap wordt daarin gedefinieerd als ‘de bereidheid en het vermogen deel uit te maken van een gemeenschap en daar een actieve bijdrage aan te leveren’. De wet geldt voor het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs. Sinds 2006 hebben deze categorieën van onderwijs wettelijk de taak om aandacht te schenken aan burgerschap.

Voor het middelbaar beroepsonderwijs is de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB) maatgevend. Als onderdeel van de drievoudige kwalificatie  bepaalt de WEB dat het beroepsonderwijs moeten bijdragen aan ‘de persoonlijke ontwikkeling en het maatschappelijk functioneren van deelnemers’. Wanneer we kijken naar de nadere  invulling van deze opdracht, dan is het duidelijk dat in Nederland neo-republikeinse en communitaristische opvattingen van burgerschap dominant zijn.


Eigen invulling door scholen 

Expliciete, wettelijk verankerde aandacht voor burgerschap in het onderwijs is van betrekkelijk recente datum. Het denken over het hoe en wat is dan ook nog lang niet uitgekristalliseerd. Kort geleden nog bracht de Onderwijsraad er een advies over uit: Verder met burgerschap in het onderwijs. Twee componenten zouden volgens de raad in het onderwijs aan bod zouden moeten komen:

  1. kennis over de democratische rechtstaat en de waarden en spelregels die hieraan ten grondslag liggen;
  2. identiteitsontwikkeling van leerlingen en jongeren: de ontwikkeling van en reflectie op eigen idealen, normen en waarden en de eigen positie in de samenleving.


Beide componenten werkt de Onderwijsraad nader uit in het advies. Dat lijkt aantrekkelijk. Immers, zo krijgt het onderwijs, docenten in het bijzonder, houvast. Toch schuilt er een gevaar in: het risico van een normatieve insteek. En dat staat al gauw op gespannen voet met de vrijheid van onderwijs die we in Nederland kennen. Liever laat de overheid het daarom aan de scholen over om een eigen invulling te geven aan het burgerschapsonderwijs, conform de levensbeschouwelijke of pedagogische overtuiging van de school. Precies om die reden zijn de nieuwe kwalificatie-eisen  voor het mbo wat vrijer geformuleerd dan eerdere kaders en eerder richtinggevend dan dwingend.


Begrensde autonomie

Binnen de gegeven kaders is het aan de scholen om een eigen visie op burgerschapsonderwijs te bepalen en een daarbij passende invulling te realiseren. Voor schoolbesturen ligt hier een inspanningsverplichting. Ook moeten zij ervoor zorgen dat duidelijk is aan welke voorwaarden studenten op dit vlak moeten voldoen voor het verkrijgen van een diploma. De autonomie van schoolbesturen kent overigens wel grenzen. Want krachtens de grondwet is de overheid verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het publiek-gefinancierd onderwijs. In al zijn onderdelen, dus inclusief het burgerschapsonderwijs. Ook dit valt daarom onder het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs.

 

Burgerschapseisen voor het mbo

De kwalificatie-eisen voor burgerschap in het mbo zijn gegroepeerd in vier dimensies: 
  • politiek-juridische dimensie
  • economische dimensie
  • sociaal-maatschappelijke dimensie
  • vitaal burgerschap.


Klik hier voor uitleg over deze dimensies.

Naast deze burgerschapsdimensies kent het mbo ook loopbaancompetenties. Qua vorming hebben die bijna altijd een relatie met burgerschap. Daarom spreken we in het mbo vaak over de kwalificatie-eisen Loopbaan en Burgerschap. Een twee-eenheid die op zijn beurt weer relaties heeft met competenties als logisch denken, redeneren, reflecteren, en met vaardigheden als lezen en schrijven.

Mbo-instellingen zijn verplicht de kwalificatie-eisen Loopbaan en Burgerschap vast te leggen in de Onderwijs- en Examenregeling (OER). Daarin moet ook staan hoe en wanneer bepaald wordt of een student aan de eisen heeft voldaan. Dat oordeel moet gegeven worden door de examencommissie.

Toetsing door de Inspectie

De Inspectie van het Onderwijs toetst de kwaliteit van het loopbaan- en burgerschapsonderwijs. Dat gebeurt bij het toezicht op de onderwijskwaliteit, niet bij het toezicht op de examenkwaliteit. Richtsnoer vormt het Toezichtkader 2012, meer in het bijzonder de ‘aanvullende kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschap’.

Klik hier voor meer bijzonderheden over het toezicht door de Inspectie.


Vaardigheidsniveau van studenten

Beroepsonderwijs brengt studenten zowel kennis, houdingen als vaardigheden bij. Een student kan bijvoorbeeld weten hoe het Nederlands politiek bestel in elkaar zit of wat de betekenis is van de Europese Unie. Tegelijk kan hij afwijzend staan tegenover gelijke rechten voor immigranten of verdergaande Europese samenwerking. Deze zaken kunnen naast elkaar bestaan. Zeker, het is prettig als jonge mensen blijk geven van verdraagzaamheid en een tolerante houding tegenover immigranten. Maar primaire taak van het burgerschapsonderwijs is om studenten voldoende kennis en vaardigheden aan te reiken om een eigen mening te kunnen vormen. Wat die mening verder ook inhoudt.


Onderzoek naar burgerschap bij jongeren

In verschillende onderzoeken is gekeken naar burgerschapskenmerken van Nederlandse jongeren. Zoals de International Civic and Citizenship Education Study (ICCS) van het IEA , een internationaal vergelijkend onderzoek onder 14-jarigen. In Nederland gaat het dan om leerlingen in de tweede klas van het voortgezet onderwijs. Onderzocht zijn de houding en maatschappelijke betrokkenheid van leerlingen, hun participatie in schoolactiviteiten rond burgerschap en hun kennis van en houding ten opzichte van Europese samenwerking. Opvallend is dat Nederlandse leerlingen relatief afwijzend staan tegenover gelijke rechten voor immigranten. En eveneens dat een kwart van de leerlingen in het afgelopen jaar op school, buiten de lessen om, niet betrokken is geweest bij activiteiten zoals muziek, toneel of debat, of bij activiteiten rond formele medezeggenschap. Dit percentage is hoger dan enig ander land, het gemiddelde ligt op 7 procent.

Een ander grootschalig onderzoek, COOL5-18, meet de ontwikkeling van jongeren door de jaren heen. Het volgt leerlingen van 5 tot 18 jaar in hun schoolloopbaan door het primair en voortgezet onderwijs en het mbo. Drie aspecten staan centraal:

  • de cognitieve ontwikkeling: kennis en vaardigheden in het Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde;
  • de ontwikkeling van sociale competenties, waaronder burgerschapscompetenties;
  • de sociaal-emotionele ontwikkeling.


Wat burgerschap betreft, wordt gekeken naar verschillen tussen jongens en meisjes, tussen leerlingen van westerse en niet-westerse afkomst en naar de invloed van opleidingsniveau van de ouders. Daarbij gaat het om kennis van burgerschap, maar ook om attitudes en vaardigheden. Verschillen blijken er inderdaad te zijn, maar onderzoekers zetten vraagtekens (Ledoux, 2011, Kuyper, 2008) bij de betrouwbaarheid van de antwoorden. Dat maakt het er allemaal niet gemakkelijker op.

Moet er wellicht een meetinstrument burgerschap komen? In 2011 heeft ecbo een verkenning uitgevoerd naar de wenselijkheid daarvan in het mbo (Van de Venne & Fuhri Snethlage, 2011). Conclusie: dat heeft niet de eerste prioriteit. Meer behoefte is er aan onderzoek op het terrein van burgerschap. Onderzoek dat zich richt op het huidige burgerschapsbeleid, de uitvoering ervan in de scholen en de professionalisering van docenten die burgerschap doceren.


Burgerschap in de praktijk

Tamelijk ontevreden over de prestaties van Nederlandse scholen op het vlak van burgerschap is de Inspectie van het Onderwijs. Een citaat  uit de Staat van het Onderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2013b): “Scholen besteden in hun onderwijs aandacht aan sociale vaardigheden. Nederlandse leerlingen presteren in internationaal opzicht echter niet goed op burgerschapsvaardigheden. Weinig scholen hebben inzicht in de resultaten van hun onderwijs op dit gebied. Scholen gebruiken nauwelijks landelijk genormeerde instrumenten om de sociale competenties van leerlingen te meten.”

Over de docenten die burgerschapslessen geven, spreekt de Inspectie zich ook uit. Die doen dat vaak zonder formele bevoegdheid (Inspectie van het Onderwijs, 2012), zo wordt geconstateerd.

De meeste scholen hebben een basisaanbod in de vorm van activiteiten en projecten rond burgerschap. Vaak heel aansprekende activiteiten: van evenementen voor minder-validen uit de regio tot workshops over burgerschap die leerlingen elkaar geven. Maar belangrijk is natuurlijk wat het oplevert. Uit onderzoeken van de inspectie blijkt dat er nog heel wat valt te winnen. Dat geldt zowel voor het formuleren van een eigen visie op burgerschap als de vertaling van die visie naar het onderwijs en de uitvoering daarvan.

Het integreren van het basisaanbod, nu nog vaak een apart vak of leerlijn, in de andere lessen en in de schoolcultuur is een uitdaging. Net als het zorgen voor bekwame docenten en het stimuleren van die docenten om als rolmodel op te treden.

Hoe kan het anders, hoe kan het beter? Een drietal tips:

  • Docenten kunnen diverse handreikingen benutten, zoals die van de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer.
  • Voor burgerschap is ook een aantal lesmethodes beschikbaar. 
  • SLO heeft een werkblad  ontwikkeld waarmee op een gestructureerde manier bekeken kan worden of een lesmethode bij de visie van een onderwijsinstelling past.

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN