ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

TRANSITIE VAN VMBO NAAR MBO

TRANSITIE VAN VMBO NAAR MBO

Zonder struikelen over de hobbel

Auteurs
Louise Elffers, Universiteit Maastricht

januari 2014

Jaarlijks maken een kleine 100.000 leerlingen de overstap van het vmbo naar het mbo (Min. OCW, 2013). Die overstap is lang niet makkelijk: veel leerlingen struikelen bij de transitie van vmbo naar mbo (Elffers, 2011). Waarom is de overgang van vmbo naar mbo zo lastig voor veel leerlingen? En welke mogelijkheden zijn er om de overgang soepeler te laten verlopen?
 
Een transitie van de ene school(soort) naar de andere is altijd lastig (Alexander e.a., 2001). We zien dan ook in verschillende landen een piek in het aantal uitvallers in het eerste jaar na een schooltransitie. In Nederland vinden we zo’n piek na de transitie van vmbo naar mbo, maar ook na de transitie van havo naar hbo, en van vwo en hbo naar de universiteit. In de VS zien we eenzelfde uitvalpiek onder meer bij de overstap van high school naar het hoger onderwijs. Kennelijk vormen transities een universele hobbel in de schoolloopbaan van leerlingen. Laten we daarom eerst eens kijken wat de onderzoeksliteratuur over schooltransities in het algemeen kan vertellen.

Aansluiten bij nieuwe omgeving

Een bekende theorie is dat een succesvolle schooltransitie staat of valt met de mate waarin een leerling in sociaal en inhoudelijk opzicht aansluiting vindt met de nieuwe onderwijsomgeving (Tinto, 1993). Deze zogeheten integratie is het resultaat van de interactie tussen de behoeften en benodigdheden van de leerling enerzijds en de mogelijkheden en faciliteiten die de onderwijsomgeving biedt anderzijds. Met academische integratie wordt de aansluiting met de inhoud van de opleiding en de manier van werken bedoeld. Sociale integratie heeft betrekking op de aansluiting met het sociale klimaat op school en de omgang met klasgenoten en docenten. De ervaring van de leerling staat hierbij steeds centraal. Het succes van een transitie hangt niet zozeer af van de vraag of er sprake is van een objectief vast te stellen (mis)match tussen een leerling en zijn onderwijsomgeving. Het gaat om de vraag of de leerling zelf ervaart dat hij op zijn plek zit op de betreffende school en opleiding (Tinto, 1993).

De integratietheorie is gebaseerd op de transitie naar het hoger onderwijs in Amerika. In de VS wonen studenten meestal op de universiteitscampus, waardoor het sociale leven in sterke mate verbonden is aan de onderwijsinstelling. Dit kan verklaren waarom sociale integratie bij de transitie van vmbo naar mbo een minder bepalende rol speelt dan in Amerikaans onderzoek (Elffers, 2011). Om succesvol te kunnen integreren in een nieuwe onderwijsomgeving, dienen studenten volgens Tinto een zekere mate van commitment te hebben ten aanzien van hun nieuwe school en opleiding. Het is belangrijk dat leerlingen met een zekere overtuiging en wil om te slagen kiezen voor hun nieuwe school en opleiding. Tot slot laat onderzoek in binnen- en buitenland zien dat leerlingen uit kansarme gezinnen meer moeite hebben om zich staande te houden na de transitie naar een nieuwe onderwijsomgeving dan andere leerlingen (Roderick, 1993; Elffers, 2011).

De transitie van vmbo naar mbo: belangrijk, maar lastig

Terug naar de transitie van vmbo naar mbo. Hoewel de meeste vmbo-leerlingen erin slagen hun weg te vinden op het mbo, struikelen veel leerlingen bij de overstap van vmbo naar mbo (Elffers, 2011). Zo valt de helft van alle leerlingen die het mbo verlaten zonder diploma uit in het eerste jaar (Min. OCW, 2011). En dat is problematisch, want leerlingen die het mbo zonder diploma verlaten, beschikken nog niet over een startkwalificatie. Een startkwalificatie is het minimale niveau dat nodig wordt geacht om kans te maken op duurzaam werk. In Nederland is de startkwalificatie vastgesteld op een diploma op havo- of vwo-niveau of een diploma op mbo-niveau 2. Dat betekent dat vmbo-leerlingen de overstap naar het mbo moeten maken om hun startkwalificatie te kunnen behalen (leerlingen met een vmbo-tl-diploma kunnen er ook voor kiezen om hun startkwalificatie te behalen in het havo). Het is dus van groot belang dat de overstap van vmbo naar mbo voor leerlingen goed verloopt.

Worstelen met studie- en beroepskeuze

Om de transitie van vmbo naar mbo te maken, moeten leerlingen een keuze maken voor een opleiding en school. Met name de opleidingskeuze vinden leerlingen lastig (Neuvel & Van Esch, 2010; Voncken e.a., 2000). Voor de meeste leerlingen vormt het mbo eindonderwijs, dat hen toeleidt naar de arbeidsmarkt. Dit betekent dat leerlingen vóór de overstap naar het mbo moeten nadenken over hun beroepskeuze en hierop hun opleidingskeuze moeten afstemmen.
 
Veel leerlingen worstelen met deze keuze. Tegen het einde van het vmbo heeft 12% van de leerlingen nog helemaal geen keuze kunnen maken, terwijl 22% van de leerlingen aangeeft weliswaar een keuze te hebben gemaakt, maar nog sterk te twijfelen (Neuvel & Van Esch, 2010). Sommige leerlingen twijfelen zo sterk dat ze de overstap naar het mbo helemaal niet maken. Voor leerlingen die de overstap wel maken, beïnvloedt twijfel over de studiekeuze hun studieprestaties in het mbo in negatieve zin. Zo vallen leerlingen die onzeker zijn over hun studiekeuze beduidend vaker uit in de eerste maanden in het mbo (Neuvel & Van Esch, 2010). Geen spoortje twijfel is echter ook niet optimaal. Leerlingen die met bovenmatige overtuiging aan hun nieuwe opleiding in het mbo beginnen, lopen het risico om teleurgesteld te raken. Zo’n kloof tussen aanvankelijke verwachtingen van de opleiding en de feitelijke ervaringen lijkt vaker voor te komen onder allochtone leerlingen (Elffers, 2011).

Waarom is de studie- en beroepskeuze voor vmbo-leerlingen zo lastig? Het maken van zo’n keuze vraagt veel van leerlingen: ze moeten inzicht hebben in de eigen interesses en mogelijkheden, maar ook in de structuur van de arbeidsmarkt en het opleidingsaanbod. Het ontbreekt leerlingen vaak aan beide (Voncken e.a., 2000). Leerlingen in het mbo switchen dan ook regelmatig van opleiding, waarbij twee derde van alle switches plaatsvindt in of direct na het eerste leerjaar (Román & Van Wijk, 2012). Bovendien switcht ruim een kwart van alle leerlingen van sector bij de overstap van vmbo naar mbo (Neuvel & Van Esch, 2010). Leerlingen maken al in het derde leerjaar in het vmbo een sectorkeuze (Economie & handel, Techniek, Zorg & welzijn, Landbouw), maar kiezen bij de overstap naar het mbo vaak alsnog voor een andere richting. Leerlingen die switchen van sector bij de transitie van vmbo naar mbo halen minder vaak een diploma in het mbo dan leerlingen die doorstromen binnen dezelfde sector (Min. OCW, 2013).

Verschillen tussen het vmbo en mbo

Als leerlingen hun keuze eenmaal gemaakt hebben, moeten ze na de transitie hun plek zien te vinden in een andere schoolomgeving, met nieuwe medeleerlingen en docenten, en vaak ook een andere manier van werken. Er zijn grote verschillen tussen het vmbo en mbo die een soepele overstap voor sommige leerlingen in de weg kunnen staan. Zo wordt er in de meeste mbo-opleidingen een groter beroep gedaan op de zelfstandigheid en zelfregulatie van leerlingen dan in het vmbo (Verstegen & Severiens, 2007). Mbo-scholen zijn in de regel grootschaliger dan het vmbo, met minder intensief contact tussen leerlingen en schoolmedewerkers, waardoor leerlingen zich anoniemer voelen (WRR, 2008). Tot slot bieden mbo-scholen vaak minder intensieve ondersteuning en begeleiding aan leerlingen dan vmbo-scholen (WRR, 2008). Leerlingen karakteriseren de overgang van het vmbo naar het mbo dan ook als een grote en pittige stap (Verstegen & Severiens, 2007). Leerlingen die goede ondersteuning van het thuisfront krijgen, hebben meer kans om de eerste maanden na de transitie naar het mbo succesvol te doorlopen (Elffers, 2011).

Hobbels overwinnen

Al met al gaat de transitie van vmbo naar mbo gepaard met een aantal flinke hobbels. Daardoor weten niet alle leerlingen de overstap zonder kleerscheuren te maken. Het is daarom belangrijk om deze hobbels waar mogelijk weg te nemen, of als dat niet gaat, leerlingen te helpen om de bestaande hobbels te overwinnen. Op basis van de besproken literatuur tekent zich een drietal oplossingsrichtingen af.

1. Investeren in loopbaanbegeleiding
Twijfel en spijt over de studiekeuze vormen een belangrijk knelpunt bij de transitie van vmbo naar mbo. Het is dus zaak om leerlingen in het vmbo zo goed mogelijk te ondersteunen bij het maken van hun keuze. Ook moet deze ondersteuning in het mbo worden voortgezet, om de gemaakte keuze te evalueren en zo nodig de loopbaanplannen te helpen bijstellen.

2. Ondersteuning bij het maken van de overstap
Leerlingen vinden de overstap van vmbo naar mbo groot. Het helpt als zij hun ervaringen in de nieuwe schoolomgeving kunnen bespreken en ondersteuning krijgen bij het ontwikkelen van goede strategieën om hun weg te vinden in de nieuwe onderwijsomgeving. Dit pleit voor het versterken van ouderbetrokkenheid bij de transitie van vmbo naar mbo. En, zeker voor leerlingen die thuis weinig ondersteuning krijgen, zouden mentoren, coaches of peer tutors, aanvullende ondersteuning kunnen bieden.

3. De transitie van vmbo naar mbo opheffen
In vergelijking met hun leeftijdgenoten in havo en vwo, moeten vmbo-leerlingen een extra transitie maken om hun startkwalificatie te behalen. Aangezien schooltransities voor veel leerlingen een worsteling zijn, met name voor leerlingen uit kansarme gezinnen, valt er veel voor te zeggen om het vmbo te verlengen tot mbo-niveau 2. Op die manier verlaten leerlingen het vmbo na het eindexamen met de startkwalificatie reeds op zak. In de zogeheten VM2-experimenten wordt hier al enkele jaren mee geëxperimenteerd, en ook de vakmanschapsroutes die in 2015 worden ingevoerd zijn op deze gedachte gebaseerd.

Enkele deskundigen:


Dr. Louise Elffers, onderzoeker Academische Werkplaats Onderwijs, Universiteit Maastricht
Drs. Jan Neuvel, onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs
Dr. Wil van Esch, onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN