ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

DOORSTROOMROUTES IN EN ROND HET MBO

DOORSTROOMROUTES IN EN ROND HET MBO

Steile en slingerende wegen omhoog

Auteurs
Joris Brekelmans, Joris Cuppen, José Mulder & Rob Schipperheyn, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo)

juni 2016

Het mooie van het Nederlands beroepsonderwijs is dat er vele mogelijkheden zijn om stap(je) voor stap(je) omhoog te klimmen. De route van de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo tot en met de hbo-master wordt de ‘doorlopende leerlijn in de beroepskolom’ genoemd. Er kan ook een route genomen worden van het vmbo naar de havo en dan naar het hbo. Ook is het mogelijk om binnen het vmbo, mbo én hbo op te stromen via de verschillende niveaus die daarbinnen worden onderscheiden. Kortom, er zijn tal van routes mogelijk. In dit artikel bieden wij inzicht in de mogelijke routes in en rond het beroepsonderwijs.
We nemen de verschillende routes in en rond het mbo een voor een onder de loep. Achtereenvolgens behandelen we:

  • van vmbo naar mbo;
  • van vmbo naar havo;
  • routes binnen het mbo;
  • van mbo naar hbo.
 
Klik hier voor een schematisch overzicht van alle doorstroomroutes.
 
 

VAN VMBO NAAR MBO

 

Sectoren, niveaus en leerwegen

 
Aan het eind van de onderbouw van het vmbo (eind tweede leerjaar) kiezen leerlingen een sector en een leerweg voor het derde en vierde leerjaar. Het vmbo kent vier leerwegen:
 
  • de basisberoepsgerichte leerweg
  • de kaderberoepsgerichte leerweg 
  • de gemengde leerweg en 
  • de theoretische leerweg

 
Er zijn vier sectoren (Economie, Techniek, Zorg & welzijn en Landbouw) en een intersectoraal programma met lesstof uit verschillende sectoren.

Vanaf de start van schooljaar 2016/2017 wordt het vmbo ingrijpend vernieuwd (1) . Vanaf dat moment kiezen vmbo-leerlingen in de bovenbouw van de beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg één profiel aangevuld met beroepsgerichte keuzevakken. Leerlingen kunnen kiezen uit tien profielen en stellen daarna zelf een verdiepend, verbredend, of profieloverstijgend programma samen.
 
De profielen zijn samen met docenten vmbo en mbo opgesteld en afgestemd met brancheorganisaties. Op deze manier krijgen leerlingen een brede basis én meer ruimte om de eigen talenten te ontplooien. De profielen zijn:
 
  • Economie en ondernemen
  • Horeca, bakkerij en recreatie
  • Groen
  • Zorg en welzijn
  • Maritiem en techniek
  • Bouwen, wonen en interieur
  • Produceren, installeren en energie
  • Mobiliteit en transport
  • Media, vormgeving en ICT
  • Dienstverlening en producten


Doorstroom naar het mbo

 
De doorstroom van vmbo naar mbo is geregeld in een zogenaamde doorstroomregeling. In grote lijnen komt het erop neer dat de doorstroomregeling de leerwegen in het vmbo koppelt aan de vier niveaus in het mbo. Vmbo’ers met een basisberoepsgericht diploma zijn toelaatbaar op niveau 2. Vmbo’ers met een kl-, gl- of tl-diploma op mbo-niveau 3 of 4. Het gaat hierbij om verwante doorstroom, dat wil zeggen dat de opleiding in het mbo tot dezelfde sector behoort als die in het vmbo. Bij niet-verwante doorstroom gelden aanvullende eisen.

De drempelloze instroom (instroom zonder diploma) voor mbo niveau 2 is op 1 augustus 2014 vervallen. Voor jongeren zonder vooropleiding is er een entreeopleiding. Deze entreeopleiding is in de plaats gekomen van het mbo niveau 1 en de Arbeidsmarktkwalificerende assistentenopleiding (AKA). De entreeopleiding geeft toegang tot het mbo. Of bereidt jongeren die geen startkwalificatie kunnen behalen voor op de arbeidsmarkt.

Het merendeel van de vmbo-leerlingen stroomt door naar het mbo. Vanuit de basis, kader- en gemengde leerweg stroomt rond de 90% van de leerlingen door naar het mbo. De overige studenten vallen (ongediplomeerd) uit of gaan de arbeidsmarkt op. Vanuit de theoretische leerweg gaat zo’n 70-80% van de leerlingen door naar het mbo. Ongeveer 15% van deze leerlingen stroomt door naar de havo.  


 

Cijfers van DUO (zie grafiek hierboven) laten zien dat het merendeel van de leerlingen uit het vmbo instromen op een mbo-niveau dat aansluit op hun behaalde vo-niveau.

Toch is een betere doorstroom van belang, want een aanzienlijk deel van de vmbo-leerlingen die doorstromen, behaalt geen mbo-diploma. Zo behaalde van de basisberoepsgerichte vmbo’ers die in 2005 in het derde leerjaar zaten, uiteindelijk 36 procent een diploma op mbo-niveau 2 en 32 procent een diploma op mbo-niveau 3 of 4. Van de leerlingen komend van de kaderopleidingen haalde 60 procent een diploma op niveau 3 of 4. Bij de gemengde leerweg was dat 76 procent en bij de leerlingen uit de theoretische leerweg 71 procent (Ministerie OCW, 2012).
 

Experimenteren met soepelere overgang

Scholen zijn continu bezig de doorstroom van vmbo naar mbo soepeler te laten verlopen, bij voorkeur in samenspraak met het bedrijfsleven. Zo lopen nu experimenten met de doorlopende leerlijn vmbo-mbo via de vakmanschap- & technologieroutes. In de periode 2014–2022 hebben samenwerkingsverbanden van vmbo- en mbo-scholen binnen die routes experimenteerruimte om geïntegreerde leerlijnen vorm te geven.

In schooljaar 2014 -2015 zijn de eerste 57 doorlopende leerroutes van start gegaan bij in totaal 21 vmbo-scholen.

De vakmanschap- en technologieroutes zijn een vervolg op de VM2 experimenten die van 2008 t/m 2013 liepen. De kern van VM2 was één locatie, één docententeam, één pedagogisch-didactische aanpak. Zo werd leerlingen in de kwetsbare periode van de overgang van vmbo naar mbo een doorlopende leerlijn aangeboden, in een samenwerking tussen vmbo- en mbo-instellingen. Onderzoek heeft laten zien dat het percentage schooluitvallers in deze experimenten significant lager is dan in vergelijkbare groepen. Ook behalen de jongeren in het experiment vaker en sneller een startkwalificatie. Daar staat tegenover dat relatief veel experimenten voortijdig beëindigd zijn omdat de samenwerking tussen de vmbo- en mbo-instelling niet goed van de grond kwam. Ook switchten VM2-leerlingen gedurende hun opleiding opvallend vaak naar niet-VM2-opleidingen (zie van Schoonhoven, 2013: http://www.ecbo.nl/3_1291_Vijf-jaar-VM2.aspx).


 

VAN VMBO NAAR HAVO

 
 

Populair alternatief

Voor wie wil doorleren na het vmbo, is ook havo een optie. Zo'n 13 procent van de uitstromers uit het vmbo met een gl- of tl-diploma kiest daarvoor (2014/2015). In absolute getallen gaat het om zo’n 6.600 leerlingen. Dat aandeel is gelijk aan dat in het schooljaar 2013/2014.

Het aandeel havo-doorstromers daalt: vijf jaar geleden stroomde nog bijna 19 procent van de vmbo gl- en tl-uitstromers door. Deze dalende trend is in 2014/2015 gestopt (Onderwijsinspectie, 2015).

Het aanbod van de school heeft invloed op de doorstroom: leerlingen op categorale vmbo-scholen stromen minder vaak door (voor 2014/2015 9,5 procent) naar de havo dan leerlingen van scholen die naast een vmbo gl/tl-leerweg ook een havo of vwo-afdeling hebben (voor 2014/2015 18 procent) (Onderwijsinspectie, 2015).

Van de vmbo’ers die naar het havo gaan, kiest bijna een kwart een exact profiel. Het kan daarbij gaan om het profiel Natuur & techniek of het profiel Gezondheid & techniek. Driekwart kiest het profiel Economie & maatschappij of het profiel Cultuur & maatschappij (Ministerie OCW, 2012).

Redelijke succes-ratio


Doorstromende vmbo’ers beginnen standaard in havo 4. Hoe doen ze het op het havo? Bijna 70% van hen haalt het diploma, zo blijkt uit de cijfers (in vergelijking: van de directe havo-instromers haalt 80 procent het diploma). Dit percentage is redelijk stabiel (Ministerie OCW, 2014). De meeste leerlingen halen een havo-diploma in twee jaar, een deel in drie jaar. Wie het niet redt, gaat meestal alsnog naar het mbo. Dat geldt voor driekwart van de leerlingen die geen havo-diploma halen (Ministerie OCW, 2012).

Van de leerlingen die een havo-diploma behalen gaat 93 procent door naar het hbo. Leerlingen die vanuit het vmbo hebben gestapeld halen binnen het hbo even vaak hun propedeuse en bachelor als leerlingen die een havo-diploma hebben gehaald zonder te stapelen (Ministerie OCW, 2014).

Aanvullende eisen van havo’s

Is het vmbo-diploma voldoende om toegelaten te worden tot havo 4? Of mogen havo’s nog aanvullende eisen stellen? Negen van de tien havo’s stelden aanvullende eisen, zo toonde onderzoek van ecbo aan (Van Esch & Neuvel, 2009). Het ging dan om een positief advies van de vmbo-school, een goede werkhouding en motivatie en/of een bepaald gemiddeld cijfer op de eindlijst (soms de lijst van het schoolexamen). Havo’s gingen nogal verschillend met die toelatingseisen om en niet elke school vermeldde die eisen in de schoolgids of op de website. Een onwenselijke situatie. Mede gestimuleerd door een maatschappelijke discussie, Kamervragen en ecbo-onderzoek kwam de VO-raad in december 2011 met een Toelatingscode overstap van vmbo naar havo, die geldt tot en met 2016. De code betreft het toelatingsbeleid, maar ook het aansluitingsbeleid. Deze is niet verplichtend, wel hebben scholen toegezegd zich er aan te houden.

Toelatingscode


Volgens de toelatingscode dienen havo’s terughoudend te zijn bij het hanteren van toelatingscriteria. Havo’s die aanvullende eisen stellen, voeren een toelatingsgesprek met de potentiële havo-instromer. Het advies van de vmboschool wordt te allen tijde in het oordeel betrokken. Indien havo’s een gemiddeld eindexamencijfer willen hanteren, dan is dat maximaal 6,8.

DOORSTROOM BINNEN HET MBO

Het mbo kent vier niveaus:
  • de entreeopleiding, bedoeld voor jongeren zonder diploma van een vooropleiding
  • de basisberoepsopleiding (niveau 2). Deze opleiding geldt als startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.
  • de vakopleiding (niveau 3)
  • de middenkaderopleiding / specialistenopleiding (niveau 4)
 
Opleidingen kunnen zowel in de beroepsopleidende leerweg (bol) als beroepsbegeleidende leerweg (bbl) worden gevolgd. Het mbo heeft opleidingen in vier sectoren: Economie en handel, Techniek, Zorg en welzijn en Groen.



Het mbo lokt met zijn vier opleidingsniveaus doorstroom als het ware uit. Doorleren voor een net iets waardevoller diploma: een substantiële groep studenten doet het, vooral op de lagere niveaus. Ruim vier op de tien van de studenten met een diploma op niveau 1 stroomt door naar niveau 2 of hoger. Ruim een derde van de gediplomeerden op niveau 2 stroomt door naar niveau 3 of hoger. Ruim een kwart van de studenten met een diploma op niveau 3 gaat verder op niveau 4.

Redenen om door te leren

Onderzoek uit 2011 werpt wat meer licht op de doorstroom van mbo 2 (de startkwalificatie) naar mbo 3/4. Op de vraag waarom zij een hoger niveau ambiëren geven respondenten als belangrijke reden dat men het nodig heeft voor de uitoefening van een bepaald beroep (vooral in de sector Zorg & welzijn). Een andere reden is meer kans op werk door een diploma op een hoger niveau of een beter betaalde baan. Maar ook komt het voor dat men verder leert om nog niet te hoeven werken. De meeste mbo’ers weten al voor de start van de mbo 2-opleiding dat ze willen doorleren (Visser & Van Wijk, 2011).

Drie doorstroommodellen

In de praktijk worden drie doorstroommodellen gehanteerd:

  • Kopmodel. De opleidingen op bijvoorbeeld niveau 2 en 3 kunnen niet los van elkaar worden gevolgd. Eerst niveau 2 en dan niveau 3 (de kopstudie).
  • Inschuifmodel. De opleidingen op bijvoorbeeld niveau 2 en 3 kunnen beide direct na het vmbo worden gevolgd. Na het behalen van het mbo 2-diploma stappen mbo’ers (veelal) over naar het tweede leerjaar van niveau 3.
  • Start-opnieuw-model. Anders dan bij het inschuifmodel beginnen de mbo’ers met bijvoorbeeld een niveau 2-diploma in het eerste leerjaar van mbo 3.


Begeleiding kan beter

Met name op niveau 2, aldus Visser & Van Wijk (2011), hebben onderwijsinstellingen aandacht voor aansluiting en afstemming. Op niveau 3 moeten studenten het grotendeels zonder extra zorg en begeleiding doen. Vanuit de instelling wordt weinig extra gedaan om een goede aansluiting tussen niveau 2 en 3 te bewerkstellingen. Studenten bespreken het voornemen om door te stromen vooral met hun ouders, met op een goede tweede plaats de docent/loopbaanbegeleider (bij de bol) en de praktijkbegeleider/stagebegeleider (bij de bbl).

Sneller een baan op niveau


Doorstroom van een lager naar een hoger mbo-niveau levert winst op, in welke vorm dan ook. Dat is althans de aanname. Maar pakt het ook zo uit? Op de arbeidsmarkt in elk geval wel, zo blijkt uit onderzoek van ROA (2015).  Hoe hoger het niveau, des te eerder een afgestudeerde een baan op niveau vindt. Ook stijgt het salaris met het opleidingsniveau.
 
 
 

VAN MBO NAAR HBO

 

Herkomst hbo-studenten

 
Jaarlijks beginnen tussen de 80-90.000 studenten voor het eerst aan een hbo-studie. Ongeveer een derde van deze studenten heeft een mbo-4 diploma. Vijf op de tien komen van het havo, het overige deel stroomt in vanaf het vwo of met een certificaat op basis van een ho-getuigschrift of buitenlands diploma.

De overgrote meerderheid van de studenten doet een bacheloropleiding. Ongeveer 3.000 studenten beginnen aan een Associate degree.
 

Associate degree


De Associate degree (Ad) is sinds september 2013 onderdeel van het hoger beroepsonderwijs. De Ad is een opleiding op niveau 5 van het European Qualifications Framework. Met de Ad heeft Nederland net als andere Europese landen een opleiding tussen het niveau van mbo-4 en de hbo-bachelor (niveau 6).

Voordat de Ad officieel onderdeel werd van het hoger beroepsonderwijs, hebben er 5 pilotrondes gelopen waarin hogescholen konden experimenteren met het aanbieden van de Ad.

Recent onderzoek laat zien dat de Ad zich anno 2016 op een kruispunt begeeft. Enerzijds is het aantal Ad’s dat wordt aangeboden relatief gering en is het aantal studenten dat een Ad volgt beperkt. Anderzijds heeft recentelijk een groep van zeven hogescholen de handen ineen geslagen om in navolging van de Rotterdam Academy van de Hogeschool Rotterdam ook op andere plekken in het land ‘Regionale Associate Colleges’ op te richten waarmee het aanbod en bekendheid van de Ad in een stroomversnelling zou kunnen raken (zie Imandt et al, 2015 en Imandt, van den Berg & Mulder, 2016).

Instroomrecht


Studenten met een mbo-4 diploma hebben recht om in te stromen in zowel hbo-bachelors als de Associate degree-opleidingen. Voor sommige hbo-opleidingen gelden aanvullende vooropleidingseisen. Dit betekent dat de mbo-student met een diploma uit het éne opleidingendomein heeft gedaan, geen automatisch toelatingsrecht heeft tot opleidingen in een ander opleidingsdomein. Voor de pabo gelden daarnaast specifieke toelatingseisen.

Uitval van mbo-studenten op het hbo


De laatste jaren is er veel aandacht voor de uitval van mbo-studenten op het hbo. Minister Bussemaker heeft een goede doorstroom dan ook als één van de speerpunten benoemd voor de komende jaren. Ecbo voert samen met het Top Institute for Evidence Based Education Reseach (TIER) van de Universiteit Maastricht en de Hogeschool van Arnhem Nijmegen onderzoek uit naar de doorstroom va mbo naar hbo (zie http://www.han.nl/onderzoek/werkveld/projecten/mbo-hbo-doorstroom/). Het onderzoek laat zien dat de mbo-studenten inderdaad steeds meer gaan bewegen in het eerste jaar op het hbo; ze vallen meer uit en wisselen steeds vaker van opleiding én van instelling.

Hoewel er met name aandacht is voor mbo-studenten, laat het onderzoek van ecbo, TIER en de HAN zien dat ook havisten vaak een andere keuze maken nadat ze aan een bacheloropleiding zijn begonnen. Het lijkt er dan ook op dat het eerste hbo-jaar niet alleen voor mbo-studenten een lastig jaar is, maar net zo goed voor havisten.

Diploma-succes


Lange tijd deden mbo-studenten het beter wat betreft het snel behalen van een diploma dan havo-studenten. Van de studenten die in 2005 op het hbo begonnen, haalde bijvoorbeeld 56% van de mbo-studenten binnen 5 jaar hun diploma. Van de havisten was dit 50%. In de loop der jaren zien we het diploma-rendement zowel mbo-ers als havisten achteruit gaan. Van de studenten die in 2009 op het hbo begonnen, haalde nog maar 45% van de mbo-studenten én 45% van de havisten binnen 5 jaar een diploma (zie http://www.vereniginghogescholen.nl/system/knowledge_base/attachments/files/000/000/351/original/Factsheet_Afgestudeerden_en_uitvallers_in_het_hbo_2015.pdf?1443082056).

Studenten gaan steeds langer doen over hun diploma. Met name havisten blijven langer hangen om hun diploma te halen. Het diploma-succes van havisten 8 jaar na start van de studie is dan ook altijd groter dan dat van mbo-studenten.

Voor zowel havisten als mbo-studenten geldt dat er onder mannen en vrouwen en naar etniciteit grote verschillen zichtbaar zijn. Zo doen onder de mbo’ers én de havisten mannen het beduidend slechter dan vrouwen. En niet-westerse studenten blijken steeds minder vaak een diploma te halen, met name de mannen.
 
(1) Een consortium van onderzoeksbureaus onder leiding van dr. José Mulder (ecbo) monitort de vernieuwing van het vmbo.
 
 
 

Enkele deskundigen:


José Mulder, senior onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
Joris Brekelmans, onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
Erik Fleur, Voorzitter team Stromen bij DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs).

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Door:   henk.fuchs@inholland.nl  |  21-03-2016

doorstroomroutes

Door:   b.van.oosten@fcroc.nl  |  02-12-2014

Als je ouder bent dan 21 jaar kun je, ongeacht je behaalde niveau, naar het hbo middels een 21 plus toelatingstoets.
Ga naar de hbo instelling waar je naartoe wilt en vraag daar naar de toelatingseisen voor 21 plus.
Succes!

Door:   patjuhkj@gmail.com  |  02-11-2014

kan iemand mij verder helpen?

ik heb een mbo niv 2 diploma.
en zit nu op mbo niv 3,4.
maar ik wil eigenlijk hbo doen.
ik ben namelijk al wat ouder en wil zo snel mogelijk op het hbo komen.
weet iemand wat de allersnelste weg is om op het hbo terecht te komen???

groetjes,
kj
Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN