ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

DOORSTROOMROUTES IN EN ROND HET MBO

DOORSTROOMROUTES IN EN ROND HET MBO

Steile en slingerende wegen omhoog

Auteurs
Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo)
 
Update maart 2018 

juni 2016

Het mooie van het Nederlandse onderwijsstelsel is dat er vele mogelijkheden zijn om stap voor stap omhoog te klimmen. Ook via beroepsopleidingen is een hbo-master bereikbaar. De route, van de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo via het mbo naar de hbo-master wordt de ‘doorlopende leerlijn in de beroepskolom’ genoemd. Dankzij de vele tussenniveaus is het mogelijk om binnen het vmbo, het mbo én het hbo stap voor stap hogerop te komen. Een andere optie is om van het vmbo over te stappen naar het havo en vervolgens naar het hbo. Kortom, er zijn talrijke mogelijkheden. Niet dat het altijd makkelijk is: veel routes vragen meer tijd en vaak kost het extra inspanningen omdat opleidingen niet goed op elkaar aansluiten. Bovendien wisselt de overheid nog wel eens tussen het promoten (kansengelijkheid) en het ontmoedigen (te duur) van doorstroom buiten de hoofdstromen in het stelsel. Dit artikel geeft een overzicht van de meest gebruikte routes in en rond het middelbaar beroepsonderwijs en van het aantal leerlingen en studenten dat er gebruik van maakt. 
 
Achtereenvolgens kijken we naar de doorstroom
  • van vmbo naar het mbo;
  • van vmbo naar het havo;
  • tussen de mbo-niveaus;
  • van het mbo naar het hbo.
 
Klik hier voor een schematisch overzicht van alle doorstroomroutes.
 
 

VAN HET VMBO NAAR HET MBO

 

Leerwegen en profielen in het vmbo

 
Na het tweede leerjaar kiezen vmbo-leerlingen een leerweg en een profiel waarin ze in het derde en vierde leerjaar verder leren en hun diploma halen. Het vmbo kent vier leerwegen:
 
  • de basisberoepsgerichte leerweg 
  • de kaderberoepsgerichte leerweg 
  • de gemengde leerweg en 
  • de theoretische leerweg 
 
De leerwegen onderscheiden zich in de hoeveelheid tijd die wordt besteed aan algemeen vormende vakken en een beroepsgerichte programma. Leerlingen in de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg volgen gemiddeld 12 uur per week een beroepsgericht programma en doen in 4 avo-vakken examen. Leerlingen in de gemengde leerweg volgen gemiddeld 4 uur per week een beroepsgericht programma en doen examen in 5 avo-vakken. En in de theoretische leerweg doen leerlingen geen examen voor een beroepsgericht programma, maar in 6 avo-vakken. 
Sinds schooljaar 2016/2017 maken leerlingen in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg bij de start van het derde leerjaar een keuze uit een van de tien profielen: 
 
  • Economie en ondernemen
  • Horeca, bakkerij en recreatie
  • Groen
  • Zorg & welzijn
  • Maritiem & techniek
  • Bouwen, wonen & interieur
  • Produceren, installeren & energie
  • Mobiliteit & transport
  • Media, vormgeving & ICT
  • Dienstverlening & producten
 
In de loop van het derde en vierde jaar kunnen leerlingen in hun profiel voor een verdiepend of verbredend programma kiezen, maar ook voor een profieloverstijgend programma. Op deze manier kan de opleiding aansluiten bij de mate waarin leerlingen al zeker zijn van hun keuze; ze kunnen zich in beroepsgerichte keuzevakken oriënteren op andere richtingen, dan wel zich gericht op de overstap naar het mbo voorbereiden.
 

Doorstroom naar het mbo

De leerweg bepaalt naar welk niveau in het mbo een leerling mag doorstromen. Een diploma van de basisberoepsgerichte leerweg geeft toegang tot opleidingen op niveau 2 en een diploma van de kaderberoepsgerichte leerweg tot mbo-opleidingen op niveau 3 en 4. Ook diploma’s van de gemengde en theoretische leerweg geven toegang tot deze niveaus én tot de havo.
 
Ook is het belangrijk of vmbo- en de mbo-opleidingen inhoudelijk verwant zijn; er kunnen aanvullende eisen worden gesteld als de vervolgopleiding in het mbo niet verwant is aan de vmbo-opleiding. 
 
Het mbo kent ook opleidingen op niveau 1, tegenwoordig entreeopleiding genoemd. De eenjarige entreeopleidingen zijn bedoeld voor jongeren die in hun vooropleiding geen diploma hebben behaald. Een diploma van een entreeopleiding geeft toegang tot de mbo-opleidingen op niveau 2. 
 
De meeste vmbo-leerlingen gaan naar het mbo. Meer dan 90% van de gediplomeerde leerlingen uit de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg – alleen gediplomeerden mogen naar mbo-opleidingen op niveau 2, 3 en 4 – stroomt door naar het mbo. Maar nog steeds zijn er ook vmbo-leerlingen die het onderwijs verlaten; ze gaan vaak (tijdelijk) de arbeidsmarkt op. De havo-doorstroom uit de gemengde en theoretische leerweg is niet alleen bescheiden, deze neemt ook af. 
 

Van/naar

 

Mbo

Havo/vavo

Vso/pro

Niet in onderwijs

Overige

Aantal leerlingen

Basisberoepsgericht

07/08

93,3

0,0

0,1

6,6

0,0

24.076

 

15/16

96,2

0,0

0,0

3,7

0,1

19.352

Kadergericht

07/08

96,1

0,1

0,0

3,8

0,0

27.082

 

15/16

97,7

0,1

0,0

2,1

0,1

27.666

Gemengd

07/08

91,8

5,6

0,0

2,6

0,0

6.171

 

15/16

95,1

3,8

0,0

1,0

0,0

6.435

Theoretisch

07/08

75,1

21,4

0,1

3,3

0,1

41.749

 

15/16

81,4

17,2

0,0

1,4

0,0

47.614

 
Bron: Eigen berekeningen BRON-data
 
Ook de ongediplomeerde uitstroom uit het vmbo daalt. Het meest in de basisberoepsgerichte leerweg. Daar is tussen 2007/2008 en 2015/2016 de ongediplomeerde uitstroom van 10 naar 6% gedaald. In de andere leerwegen gaat het om respectievelijk een daling van 5 naar 3%, van 5 naar 4% en van 2 naar 1%. 
 
Vanaf de kaderberoepsgerichte leerweg zijn vmbo-leerlingen toelaatbaar op niveau 3 en 4 van het mbo. Komen ze daar ook terecht? Figuur 1 laat zien dat leerlingen uit de kaderberoepsgerichte leerweg in het mbo steeds vaker hun opleiding op mbo-niveau 3 vervolgen en leerlingen uit de gemengde en theoretische opleiding op mbo-niveau 4. Uit tabel 1 is gebleken dat dat er grote verschillen zijn in het aantal leerlingen in de vmbo-leerwegen. Om een goede vergelijking te kunnen maken, is in figuur 1 alleen opgenomen hoe uit elke vmbo-leerweg alle uitstromende leerlingen (100%) zich over de mbo-niveaus verdelen.
 
 
Omdat er nog steeds leerlingen zijn die het vmbo zonder diploma verlaten of met een diploma toch niet verder leren, blijft het verbeteren van de doorstroom tussen het vmbo en het mbo een aandachtspunt. Ook omdat niet alle vmbo-leerlingen het mbo met een diploma verlaten. En pas met een mbo-diploma hebben vmbo-leerlingen een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt op zak. 
 
In het mbo neemt de voortijdige uitval wel af; steeds meer mbo’ers halen een diploma. In 2010/2011 gold dat voor 74,4% van de mbo-instromers, in schooljaar 2014/2015 is dat aandeel gestegen tot 83,5%. Uit tabel 2, overgenomen uit het Onderwijsjaarverslag 2016 van de Inspectie van het Onderwijs, blijkt dat het diplomarendement op niveau 1 (de entreeopleiding) na jaren van stijging is gedaald tot rond de 60%. Daar staat tegenover dat vooral in opleidingen op niveau 2 en 3 het diplomarendement is gestegen.
 
 
Misschien nog interessanter is te weten hoe het leerlingen uit de vmbo-leerwegen in het mbo vergaat. Tabel 3 laat per vmbo-leerweg zien welk deel van de leerlingen een diploma in het mbo behaalt en op welk niveau. Dat kan rechtstreeks, maar ook via het stapelen van mbo-opleidingen. We kijken naar de onderwijsloopbaan van vmbo-leerlingen die in 2006 in de derde klas van het vmbo (bovenbouw) zaten. Die leerlingen zijn 10 jaar gevolgd, tot 2016. Toen zat nog steeds een deel van deze groep in het mbo. Dat daar ook stapelaars tussen zitten, blijkt uit het feit dat uit de basisberoepsgerichte leerweg relatief nog de meeste leerlingen in het mbo zitten én dat een behoorlijk aantal basisberoepsgerichte leerlingen afstudeert met een diploma op niveau 3. Daar staat tegenover dat relatief veel leerlingen uit deze leerweg het mbo zonder diploma verlaten. Een onderbelicht fenomeen in de doorstroom tussen vmbo en mbo is dat er ook leerlingen zijn die op een lager niveau uitstromen dan waarop ze zijn gestart. Zo verlaat van de vmbo-leerlingen uit de theoretische leerweg zo’n 6% het mbo met een diploma op niveau 2.    
 
 

Experimenteren met het versoepelen van de overgang van het vmbo naar het mbo 

Scholen doen er veel aan om de doorstroom van het vmbo naar het mbo soepeler te laten lopen. Op dit moment (tot 2022) wordt geëxperimenteerd met doorlopende vmbo-mbo-leerlijnen. Samenwerkingsverbanden van vmbo- en mbo-scholen ontwikkelen geïntegreerde leerlijnen voor leerlingen in de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg leidend tot een mbo-diploma op niveau 2 (vakmanschapsroute) of voor leerlingen in de gemengde en/of theoretische leerweg leidend tot een mbo-diploma op niveau 4 (technologieroute).  
Experimenten met de vakmanschaps- en technologieroute zijn voorafgegaan door andere. Ook in het VM2-experiment is tussen 2008 en 2013 in samenwerkingsverbanden van vmbo- en mbo-scholen gewerkt aan geïntegreerde vmbo-mbo-opleidingen. Eén locatie, één docententeam, één pedagogisch-didactische aanpak was toen het motto. De opbrengst was gemengd: tegenover de daling van het percentage schooluitvallers en het vaker en sneller behalen van een startkwalificatie, staat het feit dat relatief veel experimenten voortijdig zijn beëindigd omdat de samenwerking tussen vmbo- en mbo-instellingen niet goed van de grond kwam. Ook bleven niet alle VM2-leerlingen in hun doorlopende vmbo-mbo-opleiding, maar switchten zij naar opleidingen buiten de VM2-leerlijn (Van Schoonhoven, 2013).
 
 

VAN VMBO NAAR HAVO

Niet voor iedereen weggelegd?  

Leerlingen uit het vmbo kunnen in plaats van naar het mbo ook naar het havo overstappen. Tenminste, als ze een diploma van de gemengde en theoretische leerweg in het vmbo hebben gehaald. We hebben gezien dat minder leerlingen van deze route gebruikmaken. Was de havo-doorstroom uit de gemengde leerweg sowieso al klein, in 2007/2008 ging 5,6% van de leerlingen uit deze leerweg naar het havo, in 2015/2016 is dat aandeel gedaald tot 3,8%. Ook onder leerlingen uit de theoretische leerweg daalt de belangstelling voor deze optie. In 2007/2008 ging meer dan een vijfde van hen naar het havo (21,4%), in 2015/2016 is dat aandeel gedaald tot 17,2%. 
 
De kans dat jongeren van het vmbo naar het havo overstappen wordt beïnvloed door twee factoren. Door het schooltype; leerlingen op een categorale vmbo-school stromen minder vaak door naar het havo dan leerlingen van scholen die naast de vmbo-gl/tl-leerweg ook een havo- of vwo-afdeling hebben (Inspectie, 2015). En door het opleidingsniveau van de ouders; leerlingen met lager opgeleide ouders stapelen minder vaak dan leerlingen van hoger opgeleide ouders (Inspectie, 2017).

Een redelijk succes-ratio


Doorstromende vmbo’ers beginnen standaard in het vierde leerjaar van het havo. Hoe doen ze het daar? Van de leerlingen die in 2009 in het derde leerjaar van het vmbo (gl/tl) begonnen, heeft in 2016 bijna 75% (74,6) het havo-diploma gehaald, en 2,2% het vwo-diploma. De rest (23,2%) is gestopt. Leerlingen die stoppen gaan doorgaans naar het mbo. Vergeleken met leerlingen die al in het havo zaten, halen stapelaars minder vaak het havodiploma. Van de directe instromers haalt ruim 80% een havodiploma (zie Onderwijs in cijfers).

Het aantal vmbo’ers dat een havo- of vwo-diploma haalt, stijgt licht; in het cohort dat in 2007 in hun derde vmbo-jaar zat, was dat respectievelijk 74,5 en 1,4% (zie Doorstroomatlas vmbo). 

 

Aanvullende eisen van het havo?

Is het vmbo-diploma voldoende om toegelaten te worden tot havo-4? Of mogen havo’s aanvullende eisen stellen? In het verleden was dat gebruikelijk. In 2009 constateren Van Esch en Neuvel dat 9 van de 10 havo’s aanvullende eisen stellen (Van Esch & Neuvel, 2009). Dat kan een positief advies zijn van de vmbo-school, een goede werkhouding en motivatie en/of een bepaald gemiddeld cijfer op een cijferlijst. Omdat havo’s verschillende eisen stelden en met de toelatingseisen verschillend omgingen, stelde de VO-raad in 2011 voor dat alle havo-scholen dezelfde toelatingscode hanteren. In ieder geval – als proef – tot 2016. De toelatingscode stelt dat havo’s terughoudend zijn in het gebruik van toelatingscriteria. Ook zou het advies van de vmbo-school te allen tijde in het oordeel betrokken moeten worden. En als havo’s een gemiddeld eindexamencijfer willen hanteren, dan is dat maximaal 6,8. 
 
Weliswaar is de code niet verplicht en zijn er nog steeds verschillen tussen scholen in hun toelatingsbeleid, maar het draagvlak was groot genoeg om ook na 2016 de toelatingscode te blijven gebruiken. De politiek besliste echter anders. Volgens de Tweede Kamer zouden leerlingen met een vmbo-gl- en -tl-diploma het wettelijke recht moeten hebben om zonder extra toelatingseisen naar het havo door te stromen. Daarop heeft staatssecretaris Dekker voorgesteld dat vmbo-leerlingen met ingang van schooljaar 2019-2020 zonder extra voorwaarden kunnen doorstromen naar het havo. Tenminste, als zij in één extra algemeen vormend vak op het vmbo eindexamen hebben gedaan. 
 
Het huidige kabinet heeft bij monde van minister Slob aangekondigd zo snel mogelijk een wet in te dienen die het 'doorstroomrecht' regelt voor leerlingen die van het vmbo naar het havo willen overstappen. 

DOORSTROOM IN HET MBO

Met zijn vier niveaus lokt het mbo als het ware doorstroom uit. Doorleren voor een diploma op een hoger niveau: een substantiële groep studenten doet dat. Vooral leerlingen die in het mbo op niveau 1 en 2 zijn begonnen. Zo stromen ruim 4 op de 10 studenten met een mbo-diploma op niveau 1 door naar niveau 2 of hoger en van de studenten die op niveau 2 zijn begonnen, stroomt rond de 45% door naar niveau 3 of 4. Dat aandeel is de afgelopen jaren ongeveer gelijk gebleven. Dat geldt niet voor de slaagkans: van de doorstromers haalt nu 58% op dat hogere niveau een diploma tegenover 46% een paar jaar eerder.

Redenen om door te leren

Helaas is er alleen ouder onderzoek dat licht werpt op de doorstroommotieven van studenten die na niveau 2 verder willen leren. Op de vraag waarom zij ervoor kozen hun mbo-opleiding op een hoger niveau te vervolgen, geven ze als belangrijke reden dat ze de opleiding op een hoger niveau nodig hebben voor de uitoefening van een bepaald beroep. Dat argument wordt vooral in de sector Zorg & welzijn gebruikt. Een andere reden is dat een diploma op een hoger niveau meer kans op werk geeft, of op een hoger salaris. Ook komt het voor dat studenten verder leren om de overstap naar de arbeidsmarkt nog even uit te stellen. De meeste mbo’ers weten al voor de start van hun mbo 2-opleiding dat ze willen doorleren (Visser & Van Wijk, 2011). 

Drie doorstroommodellen

In de praktijk worden drie doorstroommodellen gehanteerd, vooral in de doorstroom van niveau 2 naar niveau 3. In deze modellen herkennen we de motieven van de studenten. Opleidingen op de verschillende niveaus sluiten niet per definitie op elkaar aan. Op elk niveau komen ‘unieke’ opleidingen voor, in de zin dat alleen op dat niveau een specifieke relatie tussen een opleiding en een beroep bestaat. Ook komt het voor dat studenten in de overstap van het ene naar het andere niveau een andere richting uitgaat. Afhankelijk van de afstand ligt het voor de hand dat ze met meer of minder vrijstellingen op het hogere niveau de volledige opleiding moeten volgen:
  • Het kopmodel. Opleidingen op niveau 2 en 3 hangen inhoudelijk samen omdat het bijvoorbeeld in een sector gebruikelijk is dat de opleiding op niveau 3 als kopstudie op de opleiding op niveau 2 wordt gevolgd. Studenten beginnen op niveau 2 om de opleiding op niveau 3 te kunnen volgen. 
  • Het inschuifmodel. Opleidingen op de verschillende niveaus kunnen direct na het vmbo worden gevolgd, maar zijn zo georganiseerd dat het mogelijk is dat iemand na het halen van het mbo 2-diploma in het tweede leerjaar van niveau 3 kan instappen.
  • Het start-opnieuw-model. Anders dan in het inschuifmodel beginnen mbo’ers met bijvoorbeeld een niveau 2-diploma niet in het tweede, maar in het eerste leerjaar van mbo 3. 


De begeleiding kan beter

Met name op niveau 2, aldus Visser & Van Wijk, kijken onderwijsteams naar de aansluiting en afstemming. Eenmaal op niveau 3 moeten studenten het vaak zonder extra zorg en begeleiding doen. Uit het feit dat het diplomarendement van de doorstromers is gestegen, kunnen we wellicht afleiden dat deze begeleiding – ook op niveau 3 – inmiddels is verbeterd. 

Sneller een baan op niveau


Met een hoger opleidingsniveau worden de kansen op de arbeidsmarkt beter. Dat is de aanname en het blijkt ook zo uit te pakken. Hoe hoger het mbo-niveau, des te eerder een afgestudeerde een baan vindt. Ook stijgt met het opleidingsniveau het salaris, blijkt uit het onderzoek van het ROA (2017) over de positie van schoolverlaters op de arbeidsmarkt. 
 
 

VAN HET MBO NAAR HET HBO

 

De herkomst hbo-studenten

Leerlingen met een havo-diploma gaan bijna allemaal (93%) naar het hbo. Na een dip, als reactie op de invoering van het studievoorschot, neemt de hbo-instroom sinds 2016-2017 weer toe, in alle opleidingstypen (bachelor, master en Associate degree).
 
Vooral de instroom in de Associate degree-opleidingen groeit stevig (23,4%). Verhoudingsgewijs trekken deze programma’s, sinds september 2013 onderdeel van het hbo, veel mbo-studenten: ongeveer een derde van hen heeft een mbo 4-diploma. Maar niet alleen; 50% van de Associate degree instroom komt van het havo (Vereniging Hogescholen, 2017).
 
Ondanks de hogere instroom in het hbo daalt de instroom van mbo’ers. In 2005 ging 42% van de op niveau 4-gediplomeerde mbo’ers naar het hbo. In 2016 is dit aandeel gedaald tot 35%. (CBS, 2018; CBS, 2017).
 

Instroomrecht


Studenten met een mbo 4-diploma hebben recht om in te stromen in zowel hbo-bachelor als de Associate degree-opleidingen. Voor sommige hbo-opleidingen gelden aanvullende eisen wat betreft de vooropleiding. De mbo-student met een diploma uit het ene opleidingendomein heeft dus niet automatisch recht op toelating tot opleidingen in een ander domein. Daarnaast gelden voor de pabo specifieke toelatingseisen. En in sommige hbo-opleidingen krijgen studenten te maken met een numerus fixus. Dit betekent dat scholen een beperkt aantal opleidingsplaatsen aanbieden.

Uitval van mbo-studenten op het hbo


Studenten met een mbo 4-diploma hebben recht om in te stromen in zowel hbo-bachelor als de Associate degree-opleidingen. Voor sommige hbo-opleidingen gelden aanvullende eisen wat betreft de vooropleiding. De mbo-student met een diploma uit het ene opleidingendomein heeft dus Dat de overstap vooral voor studenten uit het mbo lastig is blijkt uit de uitvalcijfers na het eerst jaar. Van het cohort dat in 2014 naar het hbo ging stopte van de havisten 12,1% na één jaar en van de mbo’ers 22,4%. Van degenen die op het hbo blijven halen de vmbo-leerlingen even vaak hun propedeuse en bachelor als leerlingen die zonder stapelen een havo-diploma hebben gehaald (Vereniging Hogescholen, 2016; zie ook Onderwijs in cijfers). 
 
Hoe gaat het na het eerste jaar? Van de studenten die in 2006 op het hbo begonnen, haalde 52,8% van de mbo-studenten binnen 5 jaar het diploma; van de havisten was dit 48,6%. In de loop der jaren daalde het diplomarendement van zowel mbo’ers als havisten. Van de studenten die in 2010 op het hbo begonnen, haalde 44,7% van de mbo’ers en 45,4% van de havisten binnen 5 jaar een diploma. Voor de volledigheid: bij vwo’ers in het hbo daalde het diplomarendement (van 70,5 naar 68,6%) (Vereniging Hogescholen, 2016).
 
Sommige studenten met een mbo-achtergrond zijn succesvoller dan andere. Voor het verschil in studiesucces (binnen 5 jaar een hbo-diploma) van studenten die de vmbo-mbo-route hebben gevolgd zijn er volgens het CBS verschillende verklaringen. Zo verkleint een migratieachtergrond de kans op studiesucces. En ook het geslacht (man) en een economisch mbo-vooropleiding. Maar er moeten meer verklaringen zijn; ook in een groep mbo’ers die deze achtergrondkenmerken deelt, is er variatie in studiesucces. Andere factoren die meetellen zijn bijvoorbeeld intelligentie en motivatie. 
Interessant is de aantekening van het CBS bij deze bevindingen. Juist factoren die de instroom bevorderen, verkleinen de kans op studiesucces. Zo stromen mannen vaker in, maar zijn zij daarna minder succesvol dan vrouwen. Dat geldt ook voor mbo’ers met een migratieachtergrond. Ook zij gaan vaker naar het hbo dan mbo’ers zonder migratieachtergrond, maar halen minder vaak binnen 5 jaar een diploma. Ook blijkt dat jongeren die op het mbo kozen voor de sector Economie vaker naar het hoger onderwijs doorstromen, maar daar vervolgens minder succesvol zijn (zie CBS, 5 september 2017). 
 
 

Enkele deskundigen:


Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
José Mulder, ResearchNed
Erik Fleur, Dienst Uitvoering Onderwijs

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Door:   henk.fuchs@inholland.nl  |  21-03-2016

doorstroomroutes

Door:   b.van.oosten@fcroc.nl  |  02-12-2014

Als je ouder bent dan 21 jaar kun je, ongeacht je behaalde niveau, naar het hbo middels een 21 plus toelatingstoets.
Ga naar de hbo instelling waar je naartoe wilt en vraag daar naar de toelatingseisen voor 21 plus.
Succes!

Door:   patjuhkj@gmail.com  |  02-11-2014

kan iemand mij verder helpen?

ik heb een mbo niv 2 diploma.
en zit nu op mbo niv 3,4.
maar ik wil eigenlijk hbo doen.
ik ben namelijk al wat ouder en wil zo snel mogelijk op het hbo komen.
weet iemand wat de allersnelste weg is om op het hbo terecht te komen???

groetjes,
kj
Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN