ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

EXAMINEREN IN HET MBO

EXAMINEREN IN HET MBO

Klaar voor de start (in het beroep)

Auteurs
Ellen Verheijen, MBO Raad & Paula Willemse, IVA Beleidsonderzoek en advies

november 2014

De vlag uit, de schooltas bungelend in top – examen gehaald, de vakantie kan beginnen. Maar wat zegt zo’n examen nu precies? Een beoordeling is het, maar wel een bijzondere. Aan welke eisen moet die voldoen in het mbo? En: wie ‘examineert’ de examinatoren? Een overzicht van feiten, regels en procedures
 
Examineren is beoordelen. Maar niet elke beoordeling is een examen. Om gelijk maar een chique term te gebruiken: bij examineren gaat het om kwalificerende vormen van beoordelen. Dat wil zeggen, in het mbo: beoordelen of een onderwijsdeelnemer voldoet aan de kwalificatie-eisen en dus initieel beroepsbekwaam is, competent om als beginnend beroepsbeoefenaar de arbeidsmarkt te kunnen betreden.
 

Examenmomenten 

Voldoet een deelnemer aan de kwalificatie-eisen? Daar geeft een mbo-examen uitsluitsel over. Het gaat om een toets op eindniveau. Doorgaans aan het einde van de opleiding, maar dat hoeft niet. Ook aan het begin van een opleiding kan worden geëxamineerd, bijvoorbeeld om te bepalen of een deelnemer recht heeft op vrijstellingen. Of wellicht op een diploma zonder meer, op basis van eerder verworven competenties (EVC). Daarnaast kent het mbo de mogelijkheid om te examineren per onderdeel, per kerntaak bijvoorbeeld. Dat kan al in eerdere leerjaren van een opleiding.
 

Drievoudige exameneisen 

Voor het middelbaar beroepsonderwijs geldt een drievoudige kwalificatie. Dat betekent dat een deelnemer moet voldoen aan eisen voor het beroep, eisen voor deelname aan de maatschappij en eisen voor doorstroom. De beroepseisen zijn per branche door het bedrijfsleven, sociale partners en onderwijs gezamenlijk, vastgelegd in het kwalificatiedossier. Ook de wettelijke beroepsvereisten en de generieke kwalificatievereisten zoals voor taal en rekenen zijn daarin te vinden.
 

Nieuwe kwalificatiestructuur

Vanaf 1 augustus 2016 gelden er nieuwe kwalificatiedossiers. Met de nieuwe kwalificatiestructuur hoopt de minister het mbo innovatiever, uitdagender en herkenbaarder te maken voor studenten, ouders en (regionaal) bedrijfsleven (TK, 2014a). Het aantal kwalificatiedossiers is teruggebracht, kennis en vaardigheden zijn herkenbaar en duidelijk beschreven en de dossiers zijn transparanter en eenvoudiger. Ieder kwalificatiedossier kent een nieuwe opbouw met daarin drie delen: een basisdeel, een profieldeel en een keuzedeel. Het basisdeel beschrijft de informatie voor een aantal verwante beroepen, waarbij de specialisaties per beroep in het profieldeel zijn uitgewerkt. Het keuzedeel is nieuw: hiermee kan de student zijn vakmanschap verdiepen of verbreden (SBB, 2014).
 
Klik hier voor alle goedgekeurde kwalificaties in het mbo.
 

Procesarchitectuur examinering

De Procesarchitectuur Examinering (PE) is een schematische weergave van het gehele examenproces in het mbo (zie figuur 1). Hierin worden alle stappen beschreven om te komen tot goede examinering. Zo wordt er beschreven hoe een examenplan moet worden opgesteld, welke afwegingen gemaakt moeten worden bij de keuze voor inkoop of constructie van examens en wat er bij de borging van examenkwaliteit komt kijken.
De PE bestaat uit zes procesgebieden met voor ieder procesgebied onderliggende processtappen. De gekleurde procesgebieden zijn gekoppeld aan de PDCA-cyclus: het is belangrijk om voor een goede borging van de kwaliteit verder te kijken dan alleen de fase van het uitvoeren van de examens (de DO-fase). Zo begint het proces bij een goede planning (de PLAN-fase) en zijn evaluatie (CHECK-fase) en bijstelling (ACT) na afloop net zo relevant.
 
Klik hier voor meer informatie over de procesarchitectuur examinering

Kwaliteitseisen examinering 

Instellingen hebben een zekere vrijheid bij het examineren. Maar hoe ze het organiseren moet wel worden vastgelegd. Het vmbo kent het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) op basis van het WVO Examenbesluit 31. Voor een mbo-opleiding is in het Toezichtkader BVE van de Inspectie van het Onderwijs vastgelegd aan welke eisen het exameninstrumentarium en de examenprocessen moeten voldoen. Voor examinering gelden de volgende standaarden (Waarderingskader van de Inspectie van het Onderwijs, Toezichtkader BVE 2012 ):
 
Examenstandaard 1: Het exameninstrumentarium sluit aan op de uitstroomeisen en voldoet aan de toetstechnische eisen. Indicatoren zijn:
1.1 Onderscheid tussen ontwikkelingsgerichte toetsen en examinering. Hieronder valt ook dat de examencommissie heeft geëxpliciteerd op grond van welk examen en overige eisen het diploma wordt verstrekt. Ook de deelnemers moeten weten welke beoordeling meetelt voor het behalen van het diploma. 
1.2 Dekking van het kwalificatiedossier. Hierbij gaat het erom dat de examens het vereiste beheersingsniveau volledig en met een passende complexiteit zoals beschreven in het kwalificatiedossier toetsen. 
1.3 Cesuur. Ligt de cesuur van een examenonderdeel en van het examen in zijn geheel op het niveau waarop de student voldoet aan de eisen?
1.4 Beoordelingswijze. Wordt een zo objectief mogelijke beoordeling geborgd? Vindt de beoordeling op het juiste niveau plaats en is die gebaseerd op de prestatie-indicatoren uit het kwalificatiedossier? Wordt er verantwoord wat de oorzaak ervan is als een examen niet behaald wordt?
1.5 Transparantie. Is het voor alle betrokken van het examen duidelijk hoe het examen eruit ziet, hoe het wordt uitgevoerd en beoordeeld?
 
Examenstandaard 2: De examenprocessen van afname en beoordeling zijn deugdelijk. Indicatoren zijn:
2.1 Authentieke afname. Bevat het examen activiteiten die de student als beginnend beroepsbeoefenaar in het toekomstige beroep uitvoert?  
2.2 Betrouwbaarheid. Hierbij gaat het zowel om betrouwbaarheid van het instrument als van de beoordeling.
 
Examenstandaard 3: De diplomering is deugdelijk en geborgd. Indicatoren zijn:
3.1 Besluitvorming diplomering. Hieronder vallen besluiten over het verlenen van vrijstellingen en het verstrekken van diploma’s en certificaten. Ook gaat het hier om hoe de examencommissie tot zijn besluit komt: zij moet hierover verantwoording afleggen. 
3.2 Verantwoordelijkheid examencommissie. Deze indicator zegt iets over de rol van de examencommissie. De examencommissie moet zorgen dat ze op de hoogte blijft van de kwaliteit van het exameninstrumentarium, de afname, de beoordeling, de besluitvorming betreffende de diplomering en van de deskundigheid van bij de examinering betrokken personen.

De kern van deze standaarden zullen doorgaans weinig veranderen maar de accenten die door de inspectie in het toezichtkader worden gelegd, bijvoorbeeld ten aanzien van betrokkenheid van het beroepenveld of met betrekking tot het instrumentarium kunnen verschillen. Voor het actuele toezichtkader en de daaraan verbonden eisen met betrekking tot examineren is de website van de Onderwijsinspectie te raadplegen.
Bij de examenproducten zijn de kwaliteitscriteria gericht op algemene zaken als complexiteit, relevantie, actualiteit, kwantiteit, variatie en op de relatie met het kwalificatiedossier, de uitwerking van de kerntaak of werkproces(sen) in beoordelingscriteria en de dekkingsgraad. Scholen pakken de ontwikkeling van examens deels zelf op, maar ook wel gezamenlijk via instanties als de Stichting Praktijkleren en het Consortium Beroepsonderwijs.

De examens zelf kunnen natuurlijk verschillende vormen aannemen: schriftelijke of computerondersteunde kennistoetsen met verschillende vraagvormen, mondelinge toetsen, proeven van bekwaamheid of (portfolio-)assessments. Klik hier voor een overzicht van de voor-en nadelen van verschillende beoordelingsvormen. Ook Straetmans en Diggele (2002) beschrijven deze voor- en nadelen.
Bij het beoordelen van examenprocessen kijkt de inspectie naar de kwaliteitscriteria die de instelling zelf heeft geformuleerd. Verder gaat het erom of de examineringsprocessen aansluiten bij de gekozen examenvormen en of de procedures transparant zijn. Altijd maken ook objectiviteit, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de oordelen/beoordelingen deel uit van de kwaliteitstoetsing.

Keurmerk?

Zou invoering van een keurmerk voor examens een goed idee zijn? Over die vraag is nagedacht. Uiteindelijk bleek de toegevoegde waarde ten opzichte van bestaande instrumenten om kwaliteit te borgen tamelijk gering. Geadviseerd is te investeren in de kwaliteit van de examinatoren en andere bij de examinering betrokken actoren. Toch spreekt de minister in haar brief van 2 juni 2014 haar zorg uit over de kwaliteit van examens, naar aanleiding van het onderwijsverslag 2012-2013 waaruit blijkt dat de kwaliteit van examens bij “veel te veel opleidingen niet op orde is”. Om die reden is zij voornemens om vanaf 1 augustus 2016 maatregelen in te voeren om de examenkwaliteit te verhogen. Zo worden instellingen verplicht “om voor alle opleidingen gebruik te maken van bij gecertificeerde examenleveranciers ingekochte examens of om hun gezamenlijk of individueel ontwikkelde examens extern te laten valideren.”

Beroepenveld erbij betrekken

Een mbo-diploma moet goede kansen bieden op de arbeidsmarkt of een vervolgopleiding. Er moet vertrouwen zijn in de waarde van het diploma. En dat kan alleen wanneer er vertrouwen is in de kwaliteit van de examinering. Vertrouwen van het werkveld met name. Daarom zijn instellingen verplicht het beroepenveld te betrekken bij de examinering. In het Waarderingskader 2012 is die eis in de indicator ‘Authentieke afname’ als volgt geformuleerd: ‘Het beroepenveld is betrokken bij de examinering en beoordeelt de afname en beoordeling als realistisch’.
 

Eenduidigheid: examenprofielen 

Wat meer eenduidigheid kan de examinering in het mbo best gebruiken. Daartoe is het project Examenprofiel in het leven geroepen. Centraal staat een document in standaard format waarin op drie niveaus afspraken over examinering zijn beschreven: landelijk, sectoraal en regionaal. Dergelijke afspraken moeten al direct bij de inrichting van de examinering worden gemaakt. Het onderwijs, bedrijfsleven en de kenniscentra werken samen bij de ontwikkeling van deze examenprofielen. Initiatiefnemers van het project zijn: de MBO Raad, SBB, AOC Raad, NRTO (voorheen Paepon), VNO-NCW en MKB-Nederland.
 

De rol van de examencommissie

Het overheidsbeleid gaat steeds meer uit van centrale sturing van de examinering op een instelling, waarbij de examencommissie gezien wordt als de bewaker van de kwaliteit. Desondanks constateert de inspectie dat bij veel opleidingen de examencommissie niet goed functioneert, mede doordat de bevoegdheden niet duidelijk zijn belegd (TK, 2014b). Taken die de examencommissie dient uit te voeren zijn o.a. het beoordelen van aanvragen voor vrijstellingen, afhandelen van klachten over examinering en het borgen van de integrale kwaliteit van examinering (bijv.: controle op een deugdelijke en betrouwbare afname en het vaststellen van exameninstrumenten enz.). Om een examencommissie goed te laten functioneren, is het belangrijk dat alle commissieleden goed op de hoogte zijn van hun taken als commissie en hoe die zich bijvoorbeeld verhouden tot de verantwoordelijkheid van het management en de opleidingsteams (Bontius & Dams, 2011). Ook moeten er concrete afspraken worden gemaakt over de verdeling en de planning van de taken zodat elk lid zich verantwoordelijk voelt en op zijn taken kan worden aangesproken. Bovendien is het van belang om kritisch naar de aanwezige competenties van de commissieleden te kijken en na te gaan hoe kennis en vaardigheden versterkt zouden kunnen worden om zo de examencommissie optimaal te laten functioneren.
 

Andere actoren 

Naast de examencommissie zijn er nog andere actoren betrokken bij de examinering. Zo zijn er ook toetsconstructeurs, vaststellers en beoordelaars. De betrokkenen dienen deskundig te zijn: ze zijn bekend met de instrumenten en documenten die voor hen van belang zijn (bijvoorbeeld: een toetsconstructeur is op de hoogte van de inhoud van het kwalificatiedossier en het examenplan, een vaststeller heeft kennis van de examenvisie en beleidskaders en kent relevante documenten uit het handboek examinering van de instelling en een beoordelaar is op de hoogte van de instrumenten die bij de examinering gebruikt worden en weet hoe de cesuur gehanteerd moet worden).
 
Het moge duidelijk zijn dat er, voordat de vlag uitgaat en de schooltas bungelt in de top, veel komt kijken bij het opzetten en uitvoeren van een deugdelijke examinering in het mbo.

Enkele deskundigen:


José Dams, senior consultant CINOP Advies

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Door:   nakk@talnet.nl  |  21-11-2014

Goed kort en bondig stuk.
De zin ‘Het beroepenveld is betrokken bij de examinering en beoordeelt de afname en beoordeling als realistisch’. Vraagt nog wel de nodige inspanningen van beide zijde. Ben benieuwd of dat ook gaat lukken?

Succes.

K. Nak

Door:   c.vanerp@helicon.nl  |  20-11-2014

........ op de hoogte blijft van de kwaliteit van het exameninstrumentarium, de afname, de beoordeling, de besluitvorming betreffende de diplomering en van de deskundigheid van bij de examinering betrokken personen.
De laatste groep zijn de assessoren/examinatoren. Er wordt nauwelijks iets gedaan aan externe legitimering van de kwaliteit van de functionarissen. Intern keuren slager het eigen vlees en wordt er wat gerommeld. Voor best practice: www.assessorentraining.nl

Groeten:
C. van Erp
Helicon Opleidingen
Helmond
Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN