ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

EXAMINEREN IN HET MBO

EXAMINEREN IN HET MBO

Klaar voor de start (in het beroep)

Auteurs
Ellen Verheijen, MBO Raad & Paula Willemse, IVA Beleidsonderzoek en advies
Update augustus 2017: Rozemarijn van Toly & Tinka van der Kooij, Expertisecentrum Beroepsonderwijs

november 2014

De vlag uit, de schooltas bungelend in top – examen gehaald, de vakantie kan beginnen. Maar wat zegt zo’n examen nu precies? Een beoordeling is het, maar wel een bijzondere. Aan welke eisen moet die voldoen in het mbo? En: wie ‘examineert’ de examinatoren? Een overzicht van feiten, regels en procedures.  
 
Examineren is beoordelen. Maar niet elke beoordeling is een examen. Om gelijk maar een chique term te gebruiken: bij examineren gaat het om kwalificerende vormen van beoordelen. Dat wil zeggen, in het mbo: beoordelen of een onderwijsdeelnemer voldoet aan de kwalificatie-eisen en dus initieel beroepsbekwaam is, competent om als beginnend beroepsbeoefenaar de arbeidsmarkt te kunnen betreden.
 

Examenmomenten 

Voldoet een deelnemer aan de kwalificatie-eisen? Daar geeft een mbo-examen uitsluitsel over. Het gaat om een examen op eindniveau. Doorgaans aan het einde van de opleiding, maar dat hoeft niet. Ook aan het begin van een opleiding kan worden geëxamineerd, bijvoorbeeld om te bepalen of een deelnemer recht heeft op vrijstellingen. Of wellicht op een diploma zonder meer, op basis van eerder verworven competenties (EVC). Daarnaast kent het mbo de mogelijkheid om te examineren per onderdeel, per kerntaak bijvoorbeeld. Dat kan al in eerdere leerjaren van een opleiding.
 

Drievoudige exameneisen 

Voor het middelbaar beroepsonderwijs geldt een drievoudige kwalificatie. Dat betekent dat een deelnemer moet voldoen aan eisen voor het beroep, eisen voor deelname aan de maatschappij en eisen voor doorstroom. De beroepseisen zijn per branche door het bedrijfsleven, sociale partners en onderwijs gezamenlijk, vastgelegd in het kwalificatiedossier. Ook de wettelijke beroepsvereisten en de generieke kwalificatievereisten zoals voor taal en rekenen zijn daarin te vinden. 
 

Nieuwe kwalificatiestructuur

Vanaf 1 augustus 2016 gelden er nieuwe kwalificatiedossiers en keuzedelen. Met de nieuwe kwalificatiestructuur hoopt de minister het mbo innovatiever, uitdagender en herkenbaarder te maken voor studenten, ouders en (regionaal) bedrijfsleven (TK, 2014a). Het aantal kwalificatiedossiers is teruggebracht, kennis en vaardigheden zijn herkenbaar en duidelijk beschreven en de dossiers zijn transparanter en eenvoudiger. Ieder kwalificatiedossier kent een nieuwe opbouw met daarin twee delen: een basisdeel en een profieldeel. Het basisdeel beschrijft de informatie voor een aantal verwante beroepen, waarbij de specialisaties per beroep in het profieldeel zijn uitgewerkt. Daarnaast volgt iedere student een aantal keuzedelen. Het keuzedeel is nieuw: hiermee kan de student zijn vakmanschap verdiepen of verbreden (SBB, 2017). 
 
Klik hier voor alle goedgekeurde kwalificaties in het mbo.
 

Procesarchitectuur examinering

De Procesarchitectuur Examinering (PE) is een schematische weergave van het gehele examenproces in het mbo (zie figuur 1). Hierin worden alle stappen beschreven om te komen tot goede examinering. Zo wordt er beschreven hoe een examenplan kan worden opgesteld, welke afwegingen gemaakt worden bij de keuze voor inkoop of constructie van examens en wat er bij de borging van examenkwaliteit komt kijken. 
De PE bestaat uit zes procesgebieden met voor ieder procesgebied onderliggende processtappen. De gekleurde procesgebieden zijn gekoppeld aan de PDCA-cyclus: het is belangrijk om voor een goede borging van de kwaliteit verder te kijken dan alleen de fase van het uitvoeren van de examens (de DO-fase). Zo begint het proces bij een goede planning (de PLAN-fase) en zijn evaluatie (CHECK-fase) en bijstelling (ACT) na afloop net zo relevant. 
 
Klik hier voor meer informatie over de procesarchitectuur examinering

Kwaliteitseisen examinering 

Instellingen hebben een zekere vrijheid bij het examineren. Maar hoe ze het organiseren moet wel worden vastgelegd. Het vmbo kent het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) op basis van het WVO Examenbesluit 31. Voor een mbo-opleiding is in het Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs van de Inspectie van het Onderwijs vastgelegd aan welke eisen de kwaliteitsborging, het exameninstrumentarium en afname en beoordeling moeten voldoen. Voor examinering gelden de volgende standaarden. Klik hier voor meer informatie.
 
Examenstandaard 1: Kwaliteitsborging examinering en diplomering
De examencommissie borgt deugdelijke examinering en diplomering.
Basiskwaliteit
De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een instellingsverklaring. De examencommissie bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de exameninstrumenten, van de afname en beoordeling en van de diplomering en ziet in voorkomende gevallen toe op de realisatie van verbetermaatregelen. De examencommissie borgt in alle fases van de examinering de deskundigheid van de betrokken personen. Het beroepenveld is betrokken bij de examinering. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over de examenkwaliteit per opleiding aan de hand van de examenstandaarden en over haar werkzaamheden. Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bevoegd gezag. 
 
Examenstandaard 2:
Exameninstrumentarium
Het exameninstrumentarium sluit aan op de uitstroomeisen en voldoet aan de toetstechnische eisen.
Basiskwaliteit
Het exameninstrumentarium dekt de eisen van de kwalificatie. Dit geldt ook voor de eisen van het keuzedeel of de keuzedelen van de opleiding van de betreffende deelnemer.7 De examenvormen zijn afgestemd op de exameninhoud. Het exameninstrumentarium heeft een passende taakcomplexiteit. Het instrumentarium maakt evenwichtige waardering mogelijk en doet recht aan de kerntaken, werkprocessen en overige vereisten uit het kwalificatiedossier en die van de keuzedelen. De cesuur ligt op het niveau waarop de deelnemer aan de eisen voldoet. Het beoordelingsvoorschrift maakt objectieve beoordeling mogelijk.
 
Examenstandaard 3: Afname en beoordeling
De inrichting en uitvoering van het examenproces van afname en beoordeling is deugdelijk.
Basiskwaliteit
De afnamecondities en beoordelingen zijn voor deelnemers gelijkwaardig. De condities doen recht aan de context van het toekomstig beroep; onderdelen van het examen vinden in de (reële) beroepspraktijk plaats. De beoordeling levert betrouwbare uitkomsten op, vindt deskundig plaats en is gericht op een passende balans in vereiste kennis, houding en vaardigheden. De inrichting van het examen, de planning van de examenperiodes, de beoordelingswijze en de procedure voor beroep en bezwaar zijn tijdig voor deelnemers beschikbaar en voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.

De kern van deze standaarden zullen doorgaans weinig veranderen maar de accenten die door de inspectie in het toezichtkader worden gelegd, bijvoorbeeld ten aanzien van betrokkenheid van de beroepspraktijk of met betrekking tot het instrumentarium kunnen verschillen. Voor het actuele toezichtkader en de daaraan verbonden eisen met betrekking tot examineren is de website van de Onderwijsinspectie te raadplegen.
Bij de examenproducten zijn de kwaliteitscriteria gericht op algemene zaken als moeilijkheidsgraad, relevantie, actualiteit, kwantiteit, variatie en op de relatie met het kwalificatiedossier, de uitwerking van de kerntaak of werkproces(sen) in beoordelingscriteria en de dekkingsgraad. Scholen pakken de ontwikkeling van examens deels zelf op, maar ook gezamenlijk via instanties als de Stichting Praktijkleren en het Consortium Beroepsonderwijs. 
De examens zelf kunnen natuurlijk verschillende vormen aannemen: schriftelijke of computerondersteunde kennistoetsen met verschillende vraagvormen, mondelinge examens, proeven van bekwaamheid of (portfolio-)assessments. Straetmans en Diggele (2002) beschrijven deze toetsen en de voor- en nadelen. 
Bij het beoordelen van examenprocessen kijkt de inspectie naar de kwaliteitscriteria die de instelling zelf heeft geformuleerd. Verder gaat het erom of de examineringsprocessen aansluiten bij de gekozen examenvormen en of de procedures transparant zijn. 

Keurmerk of externe validering?

Zou invoering van een keurmerk voor examens een goed idee zijn? Over die vraag is nagedacht. De minister van Onderwijs spreekt in haar brief van 2 juni 2014 haar zorg uit over de kwaliteit van examens, naar aanleiding van het onderwijsverslag 2012-2013 waaruit blijkt dat de kwaliteit van examens bij “veel te veel opleidingen niet op orde is”. Om die reden kondigt ze een aantal maatregelen aan die de examenkwaliteit moeten verhogen. 
Deze maatregel verplicht scholen gebruik te maken van examens die bij gecertificeerde examenleveranciers zijn ingekocht of hun gezamenlijk of individueel ontwikkelde examens te ontwikkelen binnen collectieve afspraken of extern te laten valideren. Dit wordt uitgebreid beschreven in het advies Drie routes naar een valide examenproduct (Regisseur Herziening Kwalificatiestructuur, 2016). Per 1 augustus 2016 worden de gemaakte afspraken gefaseerd ingevoerd; zo hebben scholen genoeg tijd om zich goed voor te bereiden. De overgangsperiode duurt twee jaar. De onderwijsinstelling kan zelf kiezen welke van de drie routes naar een valide examenproduct ze wil nemen, bij elk kwalificatiedossier:
1 Inkopen bij gecertificeerde instantie;
2 Zelf ontwikkelen binnen de collectieve afspraken;
3 Exameninstrument aanbieden voor externe validering.
In de overgangsperiode wordt met diverse partijen uit de mbo-sector het advies uitgewerkt. Voor meer informatie kijk op: www.valideringexamens.nl.

Beroepspraktijk betrekken

Een mbo-diploma moet goede kansen bieden op de arbeidsmarkt of een vervolgopleiding. Er moet vertrouwen zijn in de waarde van het diploma. En dat kan alleen wanneer er vertrouwen is in de kwaliteit van de examinering. Vertrouwen van het werkveld, met name. Daarom zijn instellingen verplicht de beroepspraktijk te betrekken bij de examinering; dit is opgenomen in het Onderzoekskader 2017. Daarbij is het minimaal verplicht dat in iedere examencommissie iemand namens de beroepspraktijk zitting heeft. Daarnaast kunnen instellingen zelf bepalen hoe zij het werkveld betrekken: door samen met hen examens te maken of hen als beoordelaar in te zetten. Opleidingen hebben vaak allerlei vragen bij het examineren in de beroepscontext. In opdracht van de Inspectie van het Onderwijs verkenden Willemse en Vink (2016) daarom mogelijke oplossingsrichtingen voor problemen die worden ervaren bij examineren in de reële beroepscontext. 
 

De rol van de examencommissie

De examencommissie speelt een essentiële rol bij de examinering en diplomering van studenten. Zij is er onder andere voor verantwoordelijk dat de kwaliteit van de examinering en diplomering gewaarborgd is, vrijstellingen worden verleend, diploma’s en instellingsverklaringen worden afgegeven etc. De inspectie constateerde dat bij veel opleidingen de examencommissie niet goed functioneerde, mede doordat de bevoegdheden niet duidelijk zijn belegd (TK, 2014b). Vandaar dat vanaf 1 augustus 2017 nieuwe wetgeving voor examencommissies van kracht is. 
 
Deze wetswijziging maakt taken en bevoegdheden van de examencommissie duidelijk. Daarnaast worden nadere eisen gesteld aan de samenstelling van de examencommissie. Zo geldt de wettelijke eis dat minstens één extern lid, één lid namens de beroepspraktijk en één mbo-docent zitting nemen in de examencommissie. Managers mogen lid worden van de examencommissie. Voorwaarde is wel dat scholen daarbij regels vaststellen ter voorkoming van belangenverstrengeling. Leden van het college van bestuur mogen geen lid worden van de examencommissie.
 
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de instelling, benoeming en samenstelling van een examencommissie. Daarom zijn in de wetswijziging ook voorschriften opgenomen die gericht zijn op de taken van dit bevoegd gezag. 
Om een examencommissie goed te laten functioneren, is het belangrijk dat alle commissieleden goed op de hoogte zijn van hun taken als commissie en hoe die zich bijvoorbeeld verhouden tot de verantwoordelijkheid van het management en de opleidingsteams (Bontius & Dams, 2011; Vink & Willemse, 2015). Ook moeten er concrete afspraken worden gemaakt over de verdeling en de planning van de taken zodat elk lid zich verantwoordelijk voelt en op zijn taken kan worden aangesproken. Bovendien is het van belang om kritisch naar de aanwezige competenties van de commissieleden te kijken en na te gaan hoe kennis en vaardigheden versterkt zouden kunnen worden om zo de examencommissie optimaal te laten functioneren.
 
 

Andere actoren 

Naast de examencommissie zijn er nog andere actoren betrokken bij de examinering. Zo zijn er ook examenconstructeurs, vaststellers en beoordelaars. De betrokkenen dienen deskundig te zijn: ze zijn bekend met de instrumenten en documenten die voor hen van belang zijn. Bbijvoorbeeld: een toetsconstructeur is op de hoogte van de inhoud van het kwalificatiedossier en het examenplan, een vaststeller heeft kennis van de examenvisie en beleidskaders en kent relevante documenten uit het handboek examinering van de instelling. Een beoordelaar is op de hoogte van de instrumenten die bij de examinering gebruikt worden en weet hoe de cesuur gehanteerd moet worden.
 
Het moge duidelijk zijn dat er, voordat de vlag uitgaat en de schooltas bungelt in de top, veel komt kijken bij het opzetten en uitvoeren van een deugdelijke examinering in het mbo.
 
 

Enkele deskundigen:


José Dams, senior consultant CINOP Advies
Paula Willemse, adviseur/onderzoeker IVA Onderwijs 
 

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Door:   nakk@talnet.nl  |  21-11-2014

Goed kort en bondig stuk.
De zin ‘Het beroepenveld is betrokken bij de examinering en beoordeelt de afname en beoordeling als realistisch’. Vraagt nog wel de nodige inspanningen van beide zijde. Ben benieuwd of dat ook gaat lukken?

Succes.

K. Nak

Door:   c.vanerp@helicon.nl  |  20-11-2014

........ op de hoogte blijft van de kwaliteit van het exameninstrumentarium, de afname, de beoordeling, de besluitvorming betreffende de diplomering en van de deskundigheid van bij de examinering betrokken personen.
De laatste groep zijn de assessoren/examinatoren. Er wordt nauwelijks iets gedaan aan externe legitimering van de kwaliteit van de functionarissen. Intern keuren slager het eigen vlees en wordt er wat gerommeld. Voor best practice: www.assessorentraining.nl

Groeten:
C. van Erp
Helicon Opleidingen
Helmond
Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN