ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

PASSEND ONDERWIJS

PASSEND ONDERWIJS

Van rugzak naar maatpak

Auteurs
José Hermanussen, Expertisecentrum Beroepsonderwijs & Ria Groenenberg

november 2014

Ouderen weten het nog wel: leerlingen die niet goed konden meekomen zaten op de achterste bank. Het verst bij de leraar/juffrouw/meester vandaan. Die tijd is gelukkig voorbij. Leerlingen die dat nodig hebben, krijgen juist extra ondersteuning. Maar hoe organiseer je dat? Per 1 augustus 2014 is een nieuw stelsel voor ‘passend onderwijs’ ingevoerd. Wat houdt dat in en hoe werkt het uit binnen het mbo? 
 
Passend onderwijs staat voor maatwerk in het onderwijs. In de volle breedte. Het geldt voor alle leerlingen in de leeftijd van 2 tot 23 jaar die extra ondersteuning nodig hebben, met uitzondering van het hoger onderwijs. Het heeft betrekking op alle reguliere en specifieke onderwijsvoorzieningen. Binnen het stelsel van passend onderwijs werken scholen met elkaar samen in samenwerkingsverbanden om ervoor te zorgen dat alle leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte onderwijs krijgen dat bij hen past. Onderwijs, dat hen uitdaagt, dat uitgaat van hun mogelijkheden en rekening houdt met hun beperking. 
 

Aanleiding: steeds meer dure rugzakken

 
De notie dat je leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte niet aan hun lot overlaat, is niet nieuw. Door de jaren heen is een kostbaar stelsel voor extra onderwijsondersteuning opgetuigd. In de leerlinggebonden financiering (lgf) kregen leerlingen/studenten die dat nodig hadden op basis van een indicatie een persoonlijk budget toegekend (een 'rugzak') om aan het regulier onderwijs deel te nemen. De school kon met de lgf-gelden extra begeleiding en aanpassingen bekostigen, voor zowel de leerling als de docent. Door het steeds toenemend aantal indicaties, met name van leerlingen met gedragsproblemen, stegen de kosten in 8 jaar tijd van € 0,5 miljard naar € 3,7miljard (Min. OCW, 2011) en werd het stelsel financieel onhoudbaar. Bovendien bracht de indicatiestelling en de daarmee gepaard gaande regelgeving veel bureaucratie met zich mee. Het moest anders, het extra ondersteunen van leerlingen moest beter en tegelijkertijd minder kostbaar. Daarom is op 1 augustus 2014 een geheel nieuw stelsel in werking getreden: het stelsel van ‘passend onderwijs’. De lgf-middelen, het geld dat naar ambulante begeleiders ging en het geld voor ondersteuning op speciale scholen zijn samengevoegd en er heeft een bezuiniging plaatsgevonden. 
 

Het stelsel: zorgplicht voor ‘passend onderwijs’

 
Wat is er veranderd? Niet langer de leerlingen, maar de scholen krijgen geld voor extra ondersteuning van leerlingen. Samenwerking tussen scholen is verplicht. In het stelsel maken zij gezamenlijk een plan om ervoor te zorgen dat iedere leerling ‘passend onderwijs’ krijgt: ondersteuning op maat.
 
Centraal element van passend onderwijs is de zorgplicht. Die geldt voor schoolbesturen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Bij die besturen (wat betreft de openbare basisscholen zijn dat de gemeentebesturen) ligt de verantwoordelijkheid om iedere leerling die extra ondersteuning nodig heeft en zich bij een school aanmeldt, een zo goed mogelijke plek in het onderwijs te geven. Bij de school van aanmelding of op een andere school. 
 
De Wet op het passend onderwijs brengt voor het mbo geen (extra) zorgplicht mee. De mbo-instellingen vielen al onder de Wet gelijke behandeling handicap en chronische ziekte. Volgens deze wet zijn instellingen verplicht aanpassingen te doen voor studenten met een beperking. Denk bijvoorbeeld aan aanpassing van het curriculum of de wijze van examinering. Dit mag echter geen onevenredige belasting vormen voor de instelling en de aanpassingen mogen niet leiden tot een verlaging van het niveau of het examen. Studenten en instellingen kunnen advies of mediation vragen over kwesties rond gelijke behandeling aan het College voor de Rechten van de Mens. 
 

Passend onderwijs in het mbo  

Mbo-instellingen zijn nu zelf verantwoordelijk voor het organiseren en vormgeven van hun ondersteuningsaanbod. Ze stellen de extra ondersteuning en begeleiding van studenten met een extra ondersteunings- of begeleidingsbehoefte vast, organiseren deze en geven ze vorm.
 
Passend onderwijs in het mbo stelt eisen aan de zorgstructuur van de onderwijsinstellingen: 
 
  • Scholen moeten het aanbod van extra begeleiding en ondersteuning transparant formuleren en openbaar maken. Bij de keuze voor een opleiding krijgen student en ouder(s) daarmee direct een beeld of een bepaalde vorm van ondersteuning tot het reguliere aanbod van een school behoort. Als de ondersteuningsvraag onevenredig zwaar is voor de school, dan hoeft de school die ondersteuning niet te bieden. 
  • Regionaal stemt de mbo-instelling af met de gemeente en de jeugdhulpverlening over extra zorg en begeleiding, ook richting arbeidsmarkt (NJi, 2014).
  • Binnen de mbo-instelling zelf moet eveneens transparantie zijn. Welke extra ondersteuning kan worden geboden, zo nodig gedifferentieerd naar opleiding of domein? 
  • De intake heeft aan belang gewonnen door een betere samenwerking met het voorliggend onderwijs en informatieoverdracht naar het mbo. Direct bij die intake moet duidelijk worden of er sprake is van een goede match tussen de student met zijn extra (specifieke) ondersteuningsvraag en de gekozen opleiding.
  • Wellicht ziet de mbo-instelling een succesvoller alternatief voor de leerling. 
  • Gemaakte afspraken over de extra ondersteuning worden vastgelegd in de onderwijsovereenkomst tussen student en school (MBO Raad, 2014). Daarin worden ook andere, individuele afspraken tussen student en school vastgelegd (MBO Raad, 2012).
 

Sluitende aanpak: Entreeopleiding

Nu de drempelloze instroom in het mbo is geblokkeerd, zijn op verschillende plaatsen in het land in samenwerking met het praktijkonderwijs en het mbo, drie vormen van entreeopleidingen opgezet, waarover de gemeente regievoerder is.
  • De leerling stroomt in de entreeopleiding op het mbo als hij de mogelijkheid heeft om door te stromen naar niveau 2 en een startkwalificatie kan behalen.
  • De leerling stroomt in bij het praktijkonderwijs als hij naar werk toegeleid moet worden.
  • Een laatste vorm vangt leerlingen op die een specifieke hulpvraag hebben (met name multiproblematiek), zij krijgen een combinatie van onderwijs, training en stage (NVS-NVL).
 
De Onderwijsraad (2013) adviseert om alternatieven uit te werken voor de startkwalificatie voor kwetsbare jongeren. Zij pleiten voor een extra, arbeidsmarkgericht, uitstroomprofiel binnen de entreeopleidingen en meer flexibiliteit in het stelsel. Het ministerie van Onderwijs neemt maatregelen om tot een meer flexibel aanbod te komen voor de kwetsbare jongeren in met mbo (Min. OCW, 2014).

Zorgstructuur in mbo-instellingen 

Mbo-instellingen moeten veelal hun interne zorgstructuur opnieuw vormgeven en  de samenwerking versterken met het voortgezet onderwijs, gemeenten, UWV-werkpleinen, jeugdzorg en werkgevers. Door de invoering van passend onderwijs raakt de professionalisering van de interne zorgstructuur en de invoering van zorg- en adviesteams in een stroomversnelling. Instellingen kiezen daarbij een eigen weg, waardoor die structuren van elkaar kunnen verschillen. Factoren die meespelen zijn de visie van de onderwijsinstelling op extra ondersteuning van studenten, het relatieve aantal studenten met een extra ondersteuningsvraag en de beschikbare financiële middelen.
 
Sommige onderwijsinstellingen hebben gekozen voor een geïntegreerde zorgstructuur, waarbij de extra ondersteuning vrijwel geheel is geïntegreerd in het onderwijs. Kleine docententeams voeren zowel de onderwijstaken als de ondersteuningstaken uit. Andere instellingen kiezen juist voor een aanvullende zorgstructuur, waarbij onderwijs en extra ondersteuning apart zijn georganiseerd. De ondersteuningstaken liggen in dat geval bij mentoren, zorgcoördinatoren en zorg- en adviesteams (Petit, Groenenberg & Kuijvenhoven, 2010). 
 

Zorgcoördinator 

De spil van de zorgstructuur in een mbo-instelling is de zorgcoördinator. Alle mbo-instellingen hebben een of meer zorgcoördinatoren in dienst. De zorgcoördinator is het aanspreekpunt voor de inhoud, de kwaliteit en de organisatie van de interne extra ondersteuning van leerlingen (Van der Steenhoven, Brinkman & Van Veen, 2011). 
 

Schoolmaatschappelijk werk 

Bij de extra ondersteuning van studenten is een belangrijke rol weggelegd voor het schoolmaatschappelijk werk, een van de basisvoorzieningen in een mbo-instelling. Een schoolmaatschappelijk werker is lid van het zorg- en adviesteam (ZAT) van de instelling, waarin hij zijn specifieke deskundigheid inbrengt bij de probleemtaxatie van studenten met een ondersteuningsvraag. Ook levert hij een bijdrage aan het ontwikkelen en uitvoeren van preventieve activiteiten. 
 
Het schoolmaatschappelijk werk sluit aan op de ondersteuningsvraag van de student én op mogelijkheden van de school. Tussen die twee kan een spanningsveld ontstaan, bijvoorbeeld als de omvang en intensiteit van de problematiek van de student te groot zijn. Komen de grenzen in zicht van de extra ondersteuning die onderwijsmedewerkers kunnen geven, dan zal de schoolmaatschappelijk werker tijdig actie ondernemen. Dat kan op verschillende manieren. Hij kan docenten en studieloopbaanbegeleiders ondersteunen in het vroegtijdig signaleren van een dergelijke situatie, bij het omgaan met en reageren op de problematiek en het adequaat verwijzen naar externe hulpverleners (Brinkman e.a., 2010). 
 

Zorg- en adviesteam

 
Om de schoolinterne extra ondersteuning van studenten af te stemmen op de externe ondersteuning van studenten, hebben alle mbo-instellingen ten minste één zorg- en adviesteam ingesteld, kortweg aangeduid met ZAT. In zo’n team werken scholen en externe hulpverleners samen om problemen van jongeren vroeg te signaleren, te bespreken en passende hulp in te schakelen. 
 
Die gemengde samenstelling heeft grote voordelen. Docenten en studieloopbaanbegeleiders zijn vaak de eersten die signaleren dat een leerling extra ondersteuning nodig heeft. Zorgverleners in de jeugdzorg kunnen vanuit hun expertise advies geven over een passende aanpak. 
 
Zorgprofessionals en scholen werken samen in een zorg- en adviesteam (ZAT) om problemen van jongeren vroeg te signaleren, te bespreken en passende hulp in te schakelen. Docenten en andere onderwijsprofessionals zijn vaak de eersten die signaleren dat een leerling extra zorg of ondersteuning nodig heeft. Zorgverleners in de jeugdzorg kunnen vanuit hun expertise advies geven over een passende aanpak.
 
De samenstelling van de zorg- en adviesteams kan per regio en per onderwijssector verschillen. Van een zorg- en adviesteam maken minimaal de volgende partijen deel uit: 
  • Onderwijsprofessionals: docenten, studieloopbaanbegeleiders, zorgcoördinator
  • Bureau Jeugdzorg
  • Maatschappelijk werk
  • Jeugdgezondheidszorg
  • Politie
  • Leerplichtambtenaar of functionaris van het Regionale meld- en coördinatiepunt voortijdig schoolverlaters (RMC) (Van der Steenhoven, Brinkman & Van Veen, 2011). 
 

Externe ondersteuning van studenten

 
Op de meeste mbo-instellingen bieden externe hulpverleners ook preventieve diensten aan. Voorbeelden zijn verzuimbegeleiding door de ggd, schuld-hulpverleningsspreekuur en een ggz-spreekuur. Veel voorkomende preventieve ondersteuning wordt verleend door bijvoorbeeld Leerplicht/RMC, (jeugd)gezondheidszorg en (jeugd-)ggz. Voor externe ondersteuning van leerlingen geldt dat lichte ondersteuning breed beschikbaar en toegankelijk is en zwaardere ondersteuning alleen beschikbaar is na doorverwijzing (Van der Steenhoven, Brinkman & Van Veen, 2011). 
 

Regionale zorgstructuur 

Naast de zorgstructuur in individuele mbo-instellingen is samenwerking in de regio van groot belang, ook in verband met de transitie van de jeugdzorg naar de gemeentes per 1 januari 2015. In de Jeugdwet zijn ook bepalingen opgenomen die gemeenten verplichten om hun plannen voor jeugdhulp te bespreken met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Daarbij wordt het wenselijk geacht dat mbo-instellingen voor de uitvoering en inbedding van passend onderwijs aansluiting zoeken bij de bestaande samenwerkingsverbanden leerplicht en (jeugd)hulp. Zo ontstaan betere mogelijkheden om passende ondersteuning en zorg te bieden binnen de domeinen onderwijs en zorg. Ook kunnen beleid en aanpak tussen die domeinen in samenhang georganiseerd worden (Onderwijsraad, 2014).  

Enkele deskundigen:


Marian de Groot, directeur Expertisecentrum handicap + studie

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN