ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

SECTOREN, LEERWEGEN EN NIVEAUS

SECTOREN, LEERWEGEN EN NIVEAUS

Rondgang door een complex ‘leerhuis’

Auteurs
Barbara van Wijk & Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs

maart 2015

Je kunt er leren voor autotechnicus, maar ook voor hippisch ondernemer, verkoopmedewerker, ict-beheerder of banketbakker. Het mbo kent duizend-en-één opleidingen, verdeeld over vier sectoren, twee leerwegen en vier niveaus. Hoe steekt het precies in elkaar? Een compacte rondgang door de vertrekken, gangen en verdiepingen van dit veelomvattende bouwwerk: het ‘leerhuis’ van ongeveer een half miljoen mbo-studenten.

 

Het mbo kreeg z’n huidige vorm in 1996, met de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). Doel: onderwijs ‘op maat’, toegesneden op de wensen en mogelijkheden van zeer uiteenlopende studenten. En zoveel mogelijk onder één dak. Dat leidde tot de vorming van roc’s, regionale opleidingscentra. Die bepalen het gezicht van het huidige mbo. Maar daarnaast bleven er ‘vakscholen’ bestaan, bijvoorbeeld in de grafische sector, de hout- en meubelbranche en de creatief-technische sector. De ‘groene’ opleidingen (bijvoorbeeld land- en tuinbouw, tuinarchitectuur, dierhouderij) hielden eveneens een eigen plek: de agrarische opleidingscentra (aoc’s). Het beeld wordt gecompleteerd door de particuliere opleidingen, die bijvoorbeeld sterk vertegenwoordigd zijn in branches voor uiterlijke verzorging. Ook zij leiden op voor wettelijk erkende mbo-diploma’s.

Het mbo kent een zeer groot aantal opleidingen. Hoe deel je die opleidingen in? Gebruikelijk is om dat te doen in sectoren. Tot 2011 waren dat er vier: Economie & Handel, Zorg & Welzijn, Techniek en Landbouw. Sinds dat jaar (2011)kunnen studenten ook sectordoorsnijdende gecombineerde opleidingen volgen. De belangstelling daarvoor groeit. De meeste opleidingen kennen twee ‘leerwegen’: vooral leren in het bedrijf (beroepsbegeleidende leerweg, meestal afgekort tot bbl) en vooral leren op school (beroepsopleidende leerweg, kortweg bol). Dat kan veelal (niet altijd) op vier niveaus, variërend van opleiding tot assistent (niveau 1) tot een middenkaderopleiding (niveau 4).
Klik hier voor meer informatie over de mbo-opleidingen per niveau.
 
Klik hier voor de verdeling van studenten over de verschillende sectoren, leerwegen en niveaus.
 

Vier sectoren


De vier sectoren van het mbo verschillen sterk in omvang. De sector Economie & Handel is het grootst, gemeten naar het aantal studenten. Maar de sector Techniek kent de grootste diversiteit in opleidingsaanbod. Een klein, maar groeiend, aantal studenten volgt een gecombineerde opleiding die onder meer dan één sector valt.
 
Klik hier voor een cijfermatig overzicht van de sectoren.
 
Binnen de sectoren zijn de mbo-opleidingen ingedeeld in domeinen van verwante opleidingen. De gedachte is dat een kleiner aantal domeinen studenten helpt om een keuze te maken; jongeren die nog niet precies weten wat ze willen kunnen in een domein alvast starten met de gemeenschappelijke onderdelen van verwante opleidingen en zo toewerken naar een definitieve keuze. Maar ze kunnen natuurlijk ook meteen voor een bepaalde opleiding kiezen.
Er zijn zestien domeinen. Bijvoorbeeld Bouw en infrastructuur, of: Horeca en bakkerij, Mobiliteit en voertuigen, Handel en ondernemerschap, Orde en veiligheid, Zorg en gezondheidszorg.  
 
Klik hier voor een overzicht van de domeinen in het mbo.
 

Twee leerwegen


Studenten kunnen in het mbo kiezen uit twee leerwegen: de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en de beroepsopleidende leerweg (bol). Volgens de wet zijn ze volkomen gelijkwaardig: beide leerwegen leiden uiteindelijk tot hetzelfde diploma. Maar een goede keuze is toch wel van groot belang. Drie factoren tellen daarbij mee:
1.    De leerstijl van de deelnemer. Studenten die graag naar school gaan kiezen voor de bol. Dat betekent minimaal 850 uur per jaar les of begeleiding en 20 tot 60% van de tijd stage lopen in de beroepspraktijk. Wie liever wil werken, kiest voor de bbl. Je leert dan minimaal 24 uur per week in de praktijk van een bedrijf en gaat (meestal) één dag per week naar school.
2.    Het vinden van een leerbedrijf. Studenten die willen leren in de bbl moeten een leerwerkcontract sluiten met een leerbedrijf. Dit bedrijf begeleidt en betaalt de student /werknemer. Voorwaarde is dus om zo’n leerbedrijf te vinden. In de beroepsopleidende leerweg (bol) krijg je geen loon, maar kom je wel in aanmerking voor studiefinanciering als je 18 jaar of ouder bent.  
3.    Het opleidingsaanbod. Het staat onderwijsinstellingen vrij om opleidingen al dan niet in beide leerwegen aan te bieden. Soms is er die keuze, soms ook niet. Dan wordt een opleiding óf alleen in de bol, óf alleen in de bbl aangeboden.
 
De meeste mbo-studenten kiezen voor de bol. Vanaf 2001 is het aantal studenten in deze voltijd leerweg sterk gegroeid. Van rond de 290.000 in dat jaar tot iets boven de 350.000 in 2014. Tegelijkertijd neemt het aantal studenten in de beroepsgerichte leerweg af. Van rond de 165.000 in 2001 tot rond de 110.000 in 2014. Dat wil zeggen dat van alle mbo-studenten 76 procent in de voltijd leerweg zit. De verhouding is nog schever als we alleen kijken naar de leerwegkeuzes van vmbo-leerlingen. Van de vmbo’ers gaat maar liefst 85 procent naar de voltijd leerweg en 15 procent naar de beroepsgerichte leerweg! Hoe kan dat? Het antwoord is dat de beroepsgerichte leerweg ook oudere deelnemers trekt. Bijvoorbeeld omdat ze alsnog een diploma willen halen. in de bbl vinden we veel volwassenen die deze leerweg gebruiken om, alsnog, een startkwalificatie (minimaal niveau 2) of een hogere kwalificatie te halen.
 

Vier niveaus


Karakteristiek voor het mbo zijn de vier niveaus waarop je een opleiding kunt volgen. Opleidingen op het eerste niveau heten entree-opleidingen. Daarnaast heb je opleidingen op niveau 2, 3 en 4. Niveau 4 het hoogste niveau. Oorspronkelijk duurde een opleiding op niveau 1 één jaar, op niveau 2 twee jaar, enzovoort. Omdat opleidingen flexibeler zijn geworden kan tegenwoordig de duur van een opleiding variëren. Maar omdat de overheid graag wil dat studenten snel afstuderen, krijgt de school sinds 2014 minder geld voor elk jaar dat de student langer blijft.  
 
Klik hier voor een overzicht  van de vier niveaus en hun varianten.
 
Het hoogste mbo-niveau is ook het meest populaire. De meeste studenten (43%) volgden in schooljaar 2013-2014 onderwijs op niveau 4. De entree-opleidingen trekken slechts 4% van de mbo-populatie. De overige studenten verdelen zich min of meer gelijk over niveau 2 en 3 (respectievelijk 26% en 27%).
 
 

 

 
Toelating tot het mbo is gebonden aan regels. Die liggen in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) vast, en meer in het bijzonder in de Doorstroomregeling vmbo - beroepsonderwijs. Studenten zonder diploma beginnen kunnen alleen naar de entree-opleidingen. Met een vmbo-bl diploma kun je naar niveau 2. De overige vmbo-diploma’s en een overgangsbewijs naar havo 4 geven toegang tot niveau 3 en 4 middenkaderopleiding. De specialistenopleiding op niveau 4 is alleen toegankelijk met een mbo-diploma op niveau 3 in dezelfde branche. Soms worden aanvullende eisen aan het vakkenpakket gesteld.
 
Veel studenten stoppen niet na één opleiding op het mbo maar leren door op een hoger mbo-niveau. Met een diploma op niveau 1 kun je doorleren op niveau 2, met niveau 2 op niveau 3 of 4, met niveau 3 kun je naar de (specialisten)opleiding op niveau 4 en met een diploma op niveau 4 naar het hbo.

Bronnen:


  • C. Doets, A. Westerhuis (red.). 2001. Voldoen aan de individuele vraag, toegankelijkheid, positie deelnemer. Thema 2 in het kader van de evaluatie van de WEB. Den Haag: Stuurgroep Evaluatie WEB
  • Eimers, T., Keppels, E. en Jager, A. (2010). De bbl als leerweg voor volwassenen. ’s-Hertogenbosch/ Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
  • Expertgroep op Koers (2009). De opleidingsdomeinen onderbouwd. Woerden: MBO-raad.
  • Ministerie van OCW (2014). Referentieraming 2014. Den Haag: Ministerie van OCW. 
  • Neuvel, J, A, Westerhuis (2013). Stromen en onderstromen in vo, mbo en hbo. Basisrapport. ’s-Hertogenbosch / ecbo
  • Neuvel, J. & Esch, W. van (2010).Van vmbo naar mbo: doorstroom en loopbaankeuzes. ‘s-Hertogenbosch/ Amsterdam: Expertisecentrum Beroepsonderwijs
  • Onderwijsraad (2010). Ontwikkelingsrichtingen voor het middelbaar beroepsonderwijs. Den Haag: Onderwijsraad
 
Websites:
Doorstroomregeling vmbo-beroepsonderwijs: http://www.cfi.nl/Public/CFI-online/Images/e101315_tcm2-2124.pdf

REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Door:   g.vanderwal@owinsp.nl  |  22-05-2012

Klopt de laatste zin wel?
Had er in plaats van (specialisten) niet middenkader moeten staan?
Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN