ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

SITUERING VAN LEREN

SITUERING VAN LEREN

Leren kun je (bijna) overal

Auteurs

Ilya Zitter, Hogeschool Utrdcht & Aimée Hoeve, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
Update juni 2018 door Rozemarijn van Toly, Expertisecentrum Beroepsonderwijs

december 2012

Leren, vooral leren voor een beroep, is meer dan alleen kennis opdoen. Je moet die kennis ook kunnen toepassen samen met je vaardigheden en attitudes. Kan dat tegelijkertijd? Of is het beter om dat op verschillende plekken te doen? Gescheiden in tijd en plaats? De ‘situering van het leren’ kan vele vormen aannemen en ademt bovendien de tijdgeest. 
 

Bekeken door een traditionele onderwijsbril staan kennis en vaardigheden op zich en kun je die prima verwerven op school, in een klas. In een formele, schoolse context dus. Vervolgens is er dan wel een ‘transfer’ nodig om die opgedane kennis en vaardigheden in verschillende situaties te kunnen toepassen om ervaring op te doen. Dan zit je bijna als vanzelf vast aan een scheiding van tijd en plaats. Leren en toepassen, theorie en praktijk, staan los van elkaar. In die zin: ze hebben beide hun eigen plek en moment. De figuur uit de inaugurele rede van Loek Nieuwenhuis (2013) illustreert deze leercurve en het aandeel van het onderwijs en werk hierin, waarbij het niveau van vakmanschap zich ontwikkelt van beginners- tot expertniveau. 

 
 

Kennis opdoen en toepassen

Het ontwikkelen en leren toepassen van kennis is allerminst vanzelfsprekend. In vroeger eeuwen leerde je een beroep van iemand die het tot in de puntjes beheerste. In alle facetten, van praktijk tot aan theorie. Want theorie was er in de middeleeuwen ook al. Zo klom je, heel traag en onder strikt toezicht, op van leerling tot gezel en werd tenslotte zelf meester. Waarmee de cirkel rond was. 
Leren en toepassen vallen meer samen in dit meester-gezelmodel. ‘Transfer’ was vrijwel overbodig, en zo is het deels nog, want relevante principes van dit model worden nog steeds toegepast. Intussen is het model wel sterk gemoderniseerd en heeft het sinds het gildetijdperk tal van andere vormen aangenomen die beter passen in de wereld van nu. Tegenwoordig staat deze manier van leren bekend als ‘werkplekleren’. 
 

Opleiden voor een beroep

Hoe zit het in ons Nederlandse, middelbare beroepsonderwijs met de situering van leerprocessen? Het huidige mbo is gericht op de ontwikkeling van studenten tot competente beroepsbeoefenaren. Opleidingen zijn gericht op de beroepen waarvoor zij opleiden, net zo als de kwalificatievereisten. Het oorspronkelijke idee daarachter is dat het in essentie gaat om meer dan kennis alleen. Een competente vakman of -vrouw weet die kennis ook toe te passen en is in staat om er in wisselende situaties gebruik van te maken. Ook onder druk, in tijdsnood, onverwacht en onvoorbereid. Behalve kennis heb je daar ook vaardigheden voor nodig en een juiste beroepshouding.  
 
Een voorbeeld: een competente verpleegkundige moet niet alleen weten waar, hoeveel en waarom bloed moet worden geprikt (kennis), maar dat ook soepel kunnen uitvoeren (vaardigheid), terwijl patiënten op zijn/haar gemak wordt gesteld (houding). De verpleegkundige kan dat in uiteenlopende situaties. Bij een prikpost, aan het ziekenhuisbed of in een verpleeghuis. Ook bij bewegelijke kinderen, ernstig zieke patiënten of patiënten met HIV. 
 

Vormen van leren

Hoe leer je al die noodzakelijke kennis, vaardigheden en houdingen nu het beste aan? Hiervoor zijn verschillende vormen mogelijk (Tynjälä, 2008). In het onderwijs gaat het traditioneel gezien over theorie en kennisoverdracht. Waarbij kennis staat voor samenhangende concepten, als leerstof die je kunt overdragen, verzamelen en stapelen. Dat lukt dan, in deze opvatting, het best ‘in de klas’. In een situatie waarin je die kennis niet meteen hoeft toe te passen. Vaak gaat het om eerst snappen (conceptualiseren) en pas daarna toepassen in de praktijk (contextualiseren). Deze gang van zaken kan worden geassocieerd met termen als formeel leren, gedecontextualiseerd leren, expliciet leren of abstract leren. 
 
Naast dit formele leren, laten we die term maar even aanhouden, kennen we het leren in de praktijk. Dat heeft een lange geschiedenis en kan allerlei vormen aannemen. Denk aan stages, verschillende vormen van beroepspraktijkvorming (BPV) en het opdoen van werkervaring tijdens bijbaantjes. Deze vorm van leren is overigens niet alleen gangbaar in het middelbaar beroepsonderwijs, maar ook in het hoger beroepsonderwijs, het universitaire onderwijs en daarna. Rechter kun je bijvoorbeeld alleen worden met voldoende juridische werkervaring en na het volgen van een leer/werktraject van ruim een jaar. Leren in de beroepspraktijk wordt geassocieerd met termen als werkplekleren, niet-formeel leren en impliciet leren. Docenten die te maken hebben met deze verschillende manieren van leren (formeel en het leren in de praktijk), moeten in staat zijn om deze brede variatie aan leervormen te begeleiden (Aalsma, Van den Berg & De Bruijn, 2014). 
 
Voor de volledigheid nog twee termen: informeel leren en een leven lang leren. Eerst het informele leren: daarmee kan het leren van dagelijkse activiteiten worden aangeduid, leren van vrienden, van familie, van sporten, van hobby’s enzovoort. Inderdaad, leren kun je (bijna) overal. Van iedereen.
 
Dan een leven lang leren: hierbij gaat het doorgaans om mengvormen van alle eerdergenoemde vormen van leren, ook de meer formele vormen, nadat je een diploma hebt behaald en al aan het werk bent.
 

Sociale component van leren

Een cruciale vraag: wanneer, in welke situatie, leer je het best? Daar kun je van mening over verschillen en dat gebeurt dan ook. Een sleutelbegrip in de discussie is de sociale component. In alle vormen van leren is die aanwezig. Het gaat dan in de kern om de interactie tussen lerenden en de omgeving. In de literatuur wordt die ook wel aangeduid met de term sociale mediatie. Laten we ons inspireren door het werk van Salomon & Perkins (1998), dan kan deze vijf vormen aannemen. Bij de eerst twee ligt de nadruk op het lerende individu:
 
  1. Ondersteuning door iemand die de lerende helpt tijdens het leerproces, bijvoorbeeld door zaken vooraf te structuren, een tijdsplanning te maken of obstakels te overwinnen (denk aan een docent, expert of ervaringsdeskundige). Dit heet actieve of directe sociale mediatie 
  2. De lerende laat zich beïnvloeden door boeken, films, media en andere culturele elementen. Dit heet indirecte sociale mediatie

    Bij de andere drie vormen van interactie maakt het lerende individu onlosmakelijk deel uit van een collectief:

  3. De sociaal-maatschappelijke omgeving en alles wat daarbij hoort is (mede) onderdeel van het leerproces. Anders gezegd: de sociale context is onderwerp van leren. In het mbo maakt die deel uit van de drievoudige kwalificatie en behoort tot het kwalificatiedossierLeren, Loopbaan & Burgerschap.  
  4. Leren staat voor een proces van identiteitsontwikkeling: de lerende ontwikkelt zich van buitenstaander tot een volwaardig participant van een gemeenschap. Kennis is dan de gezamenlijke betekenis die een gemeenschap geeft aan ervaringen. Leren wordt opgevat als gezamenlijke kennisconstructie. Deze vorm van sociale mediatie sluit aan bij het participatieve perspectief op leren, waarin betekenisgeving en identiteit centraal staan. 
  5. Leren wordt gerelateerd aan het in beweging brengen van de maatschappelijke context. Het gaat om een collectief leerproces gericht op het gezamenlijk oplossen van problemen in de eigen maatschappelijke context. 

Tegengestelde trends

De situering van het leren is voortdurend onderwerp van maatschappelijke discussie en veranderende inzichten. Waar aan de ene kant de nadruk op kennis ligt, met een extra focus op rekenen en taal, is er aan de andere kant het vraagstuk van het verbinden van theorie en praktijk. Dat leidt tot steeds weer nieuwe vormen van gesitueerd leren, zoals comakership, beschreven in de publicatie van Smulders, Hoeve en Van der Meer (2013). Voorbeelden hiervan zijn de leerafdeling in een ziekenhuis, een bedrijf of adviesbureau in de school, en (regionale) cocreaties van scholen en bedrijven. Voorbeelden hiervan zijn de Waterfabriek (Koning Willem I College), leerafdelingen (Calibris), Value in the Valley (Alfa-college), Kassenklas (Clusius college), TEAMstages (ROC van Amsterdam) en RDM Campus (ROC Albeda). 
Beide trends lijken tegengesteld. De ene legt meer de nadruk op formele vormen van leren, gesitueerd in een schoolse context, de andere trend juist niet. Daarin prevaleren vormen van leren die zijn gesitueerd in of nabij de praktijk. Het tekent de uiteenlopende gedachten over het situeren van leren. En die discussie zal voorlopig nog wel voortduren.
 

Enkele deskundigen:


Erica Aalsma, Zelfstandig adviseur, onderwijsontwerper & innovatiemanager.
Dr. Peter den Boer, Lector Keuzeprocessen bij ROC West-Brabant.
Prof.dr. Maarten de Laat, Leerstoel Professionaliseren in sociale netwerken bij LOOK (Open Universiteit).

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN