ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN

VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN

Voor het diploma de school uit

Auteurs
Barbara van Wijk, Expertisecentrum Beroepsonderwijs

juni 2012

Zo heb je nog een klas vol, maar dan beginnen er gaten te vallen: voortijdig schoolverlaten, elke onderwijsinstelling heeft ermee te maken. Leerlingen die hun opleiding niet afmaken of zelfs nooit aan een mbo-opleiding beginnen. Ze stoppen voor ze een ‘startkwalificatie’ hebben bereikt. Waar ligt het aan, wat zijn risicofactoren? En wat kun je er als school en als docent aan doen?   


Wanneer spreken we van voortijdig schoolverlaten, vaak handzaam afgekort tot vsv? Intuïtief is het wel duidelijk: als een leerling in de loop van een opleidingstraject uit de boot valt. Maar dat is te weinig nauwkeurig om beleid op te baseren. De rijksoverheid koppelt het begrip aan leeftijd: jongeren tot 23 jaar. En verder niet per se aan een diploma. Het gaat vooral om een startkwalificatie. Dat is een diploma van havo, vwo of mbo niveau 2, 3 of 4. Een leerling met alleen een vmbo-diploma of werkloze jongere met alleen een diploma mbo niveau 1 is volgens deze officiële definitie dus ook een voortijdig schoolverlater! Sinds begin jaren ’90 wordt deze definitie gehanteerd, al is deze sindsdien wel een beetje aangescherpt. Daarvoor bestonden andere omschrijvingen. 

 

Waarom is voortijdig schoolverlaten een probleem?

Voortijdig schoolverlaten is bijna synoniem met ‘probleem’. Het gebrek aan een startkwalificatie leidt tot een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Wat zich vertaalt in een verhoogde kans op werkloosheid. Maar ook een verhoogde kans op criminaliteit en sociale uitsluiting. Voor de voortijdig schoolverlater zelf betekent dit: lagere inkomsten, minder mogelijkheid voor mobiliteit en training, lagere kans om een baan te vinden, lager gevoel van eigenwaarde, slechtere gezondheid. En maatschappelijk: lagere belastingopbrengsten, een groter beroep op sociale voorzieningen, kosten van toegenomen criminaliteit en lagere sociale cohesie (Van der Steeg & Webbink, 2006). 

Niet al die problemen zijn exclusief toe te schrijven aan voortijdig schoolverlaten. Soms zijn andere factoren in het spel, zoals gedragsproblemen. Die leiden dan tot zowel schooluitval als een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Raken alle voortijdig schoolverlaters in de goot? Nee, gelukkig is dat niet zo. Een flink deel vindt gewoon werk, ‘passend werk’. Van de jongeren die in 2004 het onderwijs voortijdig verlieten, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS), had vier jaar later, in 2008, 72% een baan.  

Uitvallers in soorten

Dé voortijdig schoolverlater bestaat niet. De groep is zeer divers. Een bekende indeling is die van Eimers (2006). Hij onderscheidt twee categorieën voortijdig schoolverlaters:

  1. De klassieke risicoleerling: jongeren die te maken met condities die  het zeer moeilijk maken om onderwijs te volgen. Deze groep valt weer uiteen in: a. Niet-kunners: het vermogen om een startkwalificatie te halen ontbreekt, en b. Verhinderden of (WRR, 2009) ‘overbelasten’: het vermogen om een startkwalificatie te halen is misschien wel aanwezig, maar de omstandigheden beletten dat.  
  2. De opstapper: jongeren zonder probleemgeschiedenis die door een combinatie van push- en pullfactoren toch het onderwijs verlaten. Oorzaak van uitval ligt vooral in het onderwijs zelf. Deze categorie wordt ook wel ‘geruisloze uitvallers’ genoemd.  De uitval valt vooraf namelijk bijna niet te voorspellen (Van Rooij et al., 2010). 
 

Oorzaken van voortijdig schoolverlaten

Er is enorm veel onderzoek gedaan naar de oorzaken van voortijdig schoolverlaten. Push- en pullfactoren die onderzoekers in verband brengen met voortijdige schooluitval, zijn: persoonlijke kenmerken, kenmerken van de school en kenmerken van de context.  Vaak genoemd worden de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt, verkeerde studiekeuze en problemen op school, met de gezondheid of in de thuissituatie (ROA, 2010). Een samenvatting van de uitgebreide wetenschappelijke literatuur is te vinden in publicaties van Herweijer (2006) en de WRR (2009). Van één-op-één relaties is echter geen sprake. Uitval (of diplomasucces) laten zich niet altijd door deze factoren voorspellen (Oberon, 2008). Een deelnemer met acht risicofactoren loopt een grote kans om uit te vallen, maar kan ook zijn opleiding afmaken als deze bijvoorbeeld een inspirerende en betrokken docent heeft. Een deelnemer met één risicofactor loopt een kleine kans om uit te vallen, maar kan desondanks het onderwijs voortijdig verlaten.

Wat betekent dit voor de praktijk? Dat het helpt om risicofactoren weg te nemen. Maar ook dat het zinvol is om beschermende factoren toe te voegen. Eimers (2006) ontwikkelde op grond van wat bekend is over de risicofactoren een model om voortijdig schoolverlaten beter te begrijpen en te verklaren. Het gaat uit van de fit tussen leerling en school, ziet uitval niet als één moment maar als het resultaat van een optelsom van gebeurtenissen en houdt rekening met de maatschappelijke context waarin de deelnemer leeft. Klik hier voor een schematische weergave van het model.

Aantallen nemen af

Goed nieuws: de hoeveelheid voortijdig schoolverlaters neemt af. In 2002 waren het er nog 71.000 (dat wil zeggen: nieuwe voortijdig schoolverlaters, geteld volgens de startkwalificatie-definitie). Dat komt neer op 5,5% van het totale aantal onderwijsdeelnemers in de leeftijdscategorie 12 tot 23 jaar. In 2010 was dit cijfer gedaald tot 38.600; 2,9% van de populatie. Bijna een halvering dus.
 
Het tellen gaat met behulp van de onderwijsnummerdata-bestanden. Het beheer van dit zogenaamde BRON-bestand (BRON=basisregistratie onderwijsnummer) ligt bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het ministerie van OCW. Samen met de directie VSV van dit zelfde ministerie stelt DUO informatieproducten samen over voortijdig schoolverlaten. Klik hier om deze informatie te bekijken.

Grote verschillen per onderwijstype en school

Hoe hoog de uitvalpercentages zijn, verschilt per type onderwijs en per school. De cijfers lopen aanzienlijk uiteen. Zo is de uitval in het voortgezet onderwijs ongeveer 1,0%, in het mbo 7,2%. Maar dat zijn gemiddelden. Er bestaan mbo-instellingen met een uitval onder de 2% en instellingen waar bijna 12% uitvalt. Hoe vallen die verschillen tussen mbo-instellingen te verklaren? Deels door schoolbeleid, deels ook door kenmerken van de deelnemerspopulatie. De uitval is bijvoorbeeld hoger op de lagere niveaus van het onderwijs, in de sector economie, onder 18-jarigen, jongens, allochtonen en jongeren uit een armoedeprobleemcumulatiegebied. 

Vaak wordt vergeten dat ook de omvang van de deelnemerspopulatie een rol speelt. Vsv wordt berekend als uitval ten opzichte van de totale deelnemerspopulatie. Deze populatie is bij meerjarige opleidingen groter dan bij eenjarige opleidingen en dus is het uitvalpercentage in meerjarige opleidingen lager. Zie hieronder de uitvalpercentages per niveau en leerweg in het mbo in 2010: 

Uitvalpercentages per niveau en leerweg in het mbo in 2010

Niveau

1

2

3

4

Bol

34%

13%

5%

4%

Bbl

43%

13%

4%

4%


‘Aanval op schooluitval’

Voortijdig schoolverlaten staat al geruime tijd op de politieke agenda. Onder het motto ‘aanval op schooluitval’ zette de rijksoverheid in de jaren ’90 een flink pakket aan maatregelen in werking. Uiteindelijk doel is om het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters terug te brengen tot maximaal 25.000 in 2016. ‘Samenwerking’ vormt een belangrijk instrument. Een betere samenwerking tussen scholen, gemeenten, jeugdzorg, leerplichtambtenaren, werkgevers, justitie en andere partijen. De coördinatierol ligt bij de 39 Regionale Meld en Coördinatiepunten (RMC’s). Periodiek sluit het ministerie van OCW met iedere regio convenanten af. In zo’n convenant staat beschreven wat een regio gaat doen en wat de doelstelling is, geconcretiseerd in reductie van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters. Hiervoor zijn subsidies beschikbaar. 

Terugkerende maatregelen in de convenanten zijn:  
  • Professionalisering van het verzuimbeleid.
  • Inrichten van opvangklassen.
  • Zorg dichter bij de jongere brengen.
  • Verbeteren van het keuzeproces van opleiding en beroep.
  • Betere aansluiting tussen vmbo en mbo.
     

Klik hier voor uitgewerkte voorbeelden van getroffen maatregelen.

De rijksoverheid investeert daarnaast in de infrastructuur. Met de invoering van het onderwijsnummer zijn betrouwbaarder cijfers beschikbaar gekomen. Aan een nog betere registratie wordt gewerkt. Data worden actief verspreid zodat regio’s hun beleid bij kunnen sturen. Verder is een kwalificatieplicht ingesteld; jongeren zonder startkwalificatie moeten voortaan tot hun 18de verjaardag naar school. Hierdoor valt de overgang van vmbo naar mbo tegenwoordig binnen de leerplichtige periode. Het signaleren van verzuim is vergemakkelijkt door de komst van een digitaal verzuimloket. En tot slot faciliteert de overheid de uitwisseling van good practices.

Mogelijkheden nog niet uitgeput

De huidige aanpak van voortijdig schoolverlaten in Nederland blijkt succesvol. Maar de mogelijkheden zijn beslist nog niet uitgeput. Daarbij kunnen we leren van andere landen. Wat die zoal ondernemen staat in een recent overzicht van CEDEFOP, het Europees centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (CEDEFOP, 2010). Ook Van Tilborg & Van Esch (2006) hebben de aanpak in enkele Europese landen vergeleken. Zij typeren het Nederlandse systeem als breed, divers, preventief en met een sterke nadruk op samenwerking. In de andere landen staat voortijdig schoolverlaten op zich minder in een kwaad daglicht en zet men meer in op scholing naast arbeid; leren in de beroepsloopbaan na voortijdige schooluitval. 

Een andere, aanvullende mogelijkheid is om meer aandacht te besteden aan het terugleiden van voortijdig schoolverlaters naar het onderwijs. Nu al keert meer dan een derde van de voortijdig schoolverlaters binnen een paar jaar terug naar het onderwijs. Een deel van deze ‘terugkeerders’ geeft aan dat ze de periode zonder onderwijs nodig hebben gehad om weer gericht en gemotiveerd te kunnen leren. Maar ook dat meer hulp bij terugkeer noodzakelijk is (Van Wijk, et al., 2012).

Enkele deskundigen:


Ton Eimers, directeur/senior onderzoeker Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt (KBA).
Erik Fleur, senior onderzoeker Dienst Uitvoering Onderwijs/afdeling Informatieproducten (DUO/INP).
Barbara van Wijk, onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo).

Bronnen:


  • CEDEFOP (2010). Guiding at-risk youth through learning to work. Lessons from across Europe. Luxembourg: European Union. Te downloaden via www.cedefop.europa.eu.
  • Eimers, T, m.m.v Bekhuis, H. (2006). Vroeg is nog niet voortijdig. Naar een nieuwe beleidstheorie voortijdig schoolverlaten. Nijmegen: ROA. Te downloaden via www.aanvalopschooluitval.nl.
  • Herweijer, L. (2006). Gestruikeld voor de start. De school verlaten zonder startkwalificatie. Den Haag: SCP. Te downloaden via www.scp.nl.
  • Oberon (2008). De belevingswereld van Voortijdig Schoolverlaters. Een onderzoeksrapportage. Utrecht: Oberon. Te downloaden via www.oberon.eu.
  • Rooij, E. van, Pass, J. & Broek, A. van den (2010). Geruisloos uit het onderwijs. Het verschil tussen klassieke en geruisloze risicofactoren van voortijdig schoolverlaten. Nijmegen: ResearchNed. Te downloaden via www.aanvalopschooluitval.nl.
  • Steeg, van der M. & Webbink, D. (2006). Voortijdig schoolverlaten in Nederland: omvang, beleid en resultaten. Den Haag: Centraal Planbureau. Te downloaden via www.cpb.nl.
  • Tilborg, L. van & Es, W. van (2006). Aanpak van het voortijdig schoolverlaten in zes Europese landen. Utrecht: Sardes. Te downloaden via www.sardes.nl.
  • WRR (2009). Vertrouwen in de school. Over de uitval van ‘overbelaste’ jongeren. Amsterdam: University Press. Te downloaden via www.wrr.nl.
  • http://www.aanvalopschooluitval.nl
  • http://www.cbs.nl

REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN