ecbo - expertisecentrum beroepsonderwijs

GROEPSDYNAMICA EN ANDERE SOCIALE PROCESSEN

Netwerken in de klas

Auteurs
Mariola Gremmen, Avans Hogeschool en CINOP/Erasmus+

september 2019

De school, en ook de klas, is de maatschappij in het klein. Zoals overal vormen zich sociale netwerken, waarin iedere student z’n plek heeft. Onderzoek leert dat die netwerken sterk van invloed zijn op motivatie en schoolprestaties. Zowel in positieve als negatieve zin. Hebben onderwijsprofessionals daar enige sturing op? Lukt het om greep te krijgen op netwerken en groepsdynamica? 
 

Sociale netwerkprocessen 

Iedereen en alles om ons heen is onderdeel van verschillende netwerken. Een netwerk bestaat altijd uit een groep ‘actoren’: vrienden, familie, collega’s, leden van een vereniging, enzovoort. De onderlinge relaties en communicatie bepalen de verhoudingen. Op uiteenlopende manieren, ieder sociaal netwerk kent zijn eigen dynamieken (Veenstra, Dijkstra, & Kreager, 2018). Mede daardoor veranderen netwerken door de tijd heen in samenstelling. Sommige relaties blijven behouden, nieuwe relaties ontstaan, andere relaties verdwijnen. 

Hoe ontstaan netwerken? En wat voor mechanismen zorgen voor verandering? Aan de basis ligt vaak het gedrag van actoren. Daarbij laten zich een aantal selectieprocessen onderscheiden (Snijders, Van de Bunt & Steglich, 2010), waarin de volgende aspecten een rol spelen: 
 
  1. Assortatief. Mensen zijn van nature vooral geneigd om anderen op te zoeken die hetzelfde gedrag vertonen of dezelfde kenmerken hebben. Denk bijvoorbeeld aan geslacht, leeftijd, sociaaleconomische status en etniciteit. Dit homophily-effect zorgt voor meer acceptatie, vertrouwen en bevestiging (McPherson, Smith-Lovin & Cook, 2001). Ook voorkomt deze gelijkheid in gedragingen of eigenschappen over het algemeen potentieel conflict en misvattingen. In sommige netwerken kan heterophily echter handig zijn. Zo kunnen verschillende eigenschappen ervoor zorgen dat actoren complementair zijn aan elkaar, wat handig is bij samenwerkingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan diversiteit binnen teams op het werk. 
  2. Relationeel. Een netwerk wordt bepaald door de eerdere structuur en positie van de actoren. Iedereen is namelijk al verbonden in een netwerk en de nieuwe relaties tussen actoren is automatisch afhankelijk van dit bestaande netwerk.
  3. ‘Proximity’. Sommige actoren hebben door fysieke nabijheid meer kansen om met elkaar in contact te komen.

Netwerken zijn van invloed op het individuele gedrag. Verschillende theorieën zijn daarbij te onderscheiden. Zoals de social learning theory van Bandura (1977), die ervan uitgaat dat mensen leren door het observeren van anderen en doordat anderen, die zij waarderen, hen bevestigen, belonen of afwijzen. Interactie kan hierdoor bewust of onbewust tot imitatie leiden (Ryan, 2001).


Sociale netwerkanalyse 

In netwerken komen twee basisbehoeften van mensen prominent tot uiting: erbij willen horen en status verkrijgen. Verder heeft iedereen een fundamentele behoefte aan veiligheid en wil op een bepaalde manier gewaardeerd worden door anderen (Baumeister & Leary, 1995). Er is veel onderzoek verricht in allerlei typen netwerken en voor verschillende gedragingen. Zo is onderzocht hoe criminele netwerken maximaal ontwricht kunnen worden door enkele sleutelfiguren uit het netwerk weg te halen, maar is ook bekeken hoe het sociale netwerk ingezet kan worden om studenten met een ondersteuningsbehoefte verder te helpen.


Netwerken in scholen

Binnen het mbo zijn sociale netwerken cruciaal. Scholen en klassen zijn namelijk sociale plekken, waarin studenten veel tijd doorbrengen met medestudenten en de docent (Altermatt & Pomerantz, 2003; Ryan, 2000). Leeftijdsgenoten spelen een belangrijke rol in het aanmoedigen of ontmoedigen van bepaald gedrag. 

Netwerken in schoolklassen zijn in kaart te brengen door studenten vragenlijsten in te laten invullen. Dit kan geanonimiseerd binnen een onderzoek worden gevraagd en/of in overleg met de studenten door docenten zelf. Zo kunnen bijvoorbeeld vriendschappen worden weergegeven tussen studenten in een klas. Relaties kunnen daarbij eenzijdig of wederkerig zijn (reciprociteit). Verschillende typen vriendschapsgroepjes worden zichtbaar en ook hoe centraal iemand is ingebed in het netwerk. Recent onderzoek laat zien dat ook hulpnetwerken zijn te visualiseren. Daaruit blijkt dat studenten die hulp ontvangen of bieden vaak goed zijn ingebed in het sociale netwerk en gewaardeerd worden (Van Rijsewijk, Dijkstra, Pattiselanno, Steglich & Veenstra, 2016). Verder lijkt het niet altijd belangrijk hoeveel hulp studenten krijgen van medestudenten, maar of ze de meest geschikte hulpgevers in hun netwerk van medestudenten kunnen bereiken (Van Rijsewijk, Oldenburg, Snijders, Dijkstra & Veenstra, 2018). 

Netwerken zijn bepalend voor het aantal en de aard van de onderlinge contacten. Maar het omgekeerde gaat ook op. Zo kunnen zitplaatsen in de klas, die vaak statisch zijn, bepalen welke sociale relaties studenten hebben en welk gedrag ze vertonen (Van den Berg & Cillessen, 2015). 
 

Netwerken en groepsprocessen

Relaties in de klas, netwerken dus, zijn soms zeer bepalend voor individuele en ook groepsgedragingen. Een aantal voorbeelden:
 
  • Pestgedrag. Bij een pestsituatie is altijd een hele groep betrokken. Op het werk, maar ook in de klas. Naast de pester en het slachtoffer zijn nog vier rollen te onderscheiden (Salmivalli, 2010; Van Toly, Pouwels, Gremmen, & Geertsma, 2019). Zo hebben pesters assistenten, zijn er versterkers van de pesters, verdedigers van de slachtoffers en zijn sommigen buitenstaanders. Door dit netwerk in kaart te brengen en iedereen zich bewust te laten worden van de rollen, kunnen deze veranderen.
  • Motivatie en prestaties. Studenten die hoog presteren blijken elkaar meer op te zoeken als vriend en studenten die laag presteren ook. Verder blijkt dat ze meer op elkaar gaan lijken door de tijd heen. Hierdoor wordt de kloof tussen laag- en hoogpresteerders steeds groter (Gremmen, Dijkstra, Steglich & Veenstra, 2017).
  • Risciogedrag. Vanaf de adolescentie hebben jongeren de neiging om risicogedrag te gaan vertonen. We zien echter verschillen tussen studenten. Waar sommigen starten met roken en drinken, en/of delinquent gedrag vertonen, hebben anderen hier minder behoefte aan. Gedeeltelijk is dit te verklaren door de status die deze gedragingen hebben binnen de groep. Wanneer populaire leerlingen risicogedrag vertonen en deze norm uitdragen, is de kans groter dat anderen zich ook zo gaan gedragen (Osgood, Feinberg & Ragan, 2015). Een doelgerichte aanpak om dit gedrag terug te dringen, zal zich vooral moeten focussen op de leiders (targeted interventions).

Groepsdynamica effectief inzetten 

Een goede inbedding in het sociale netwerk kan positief gedrag stimuleren. Een veilige omgeving, ‘erbij horen’ en het hebben van vriendschappen blijken belangrijke voorwaarden om gemotiveerd te zijn voor school en te presteren (Gremmen, 2018). Verder zoeken studenten met gelijke prestaties elkaar over het algemeen meer op en lijken zij meer op elkaar te gaan lijken, waardoor de kloof tussen laag- en hoogpresteerders groter wordt. 
 
Enkele manieren om deze kennis effectief te gebruiken in de onderwijscontext:
 
  • Breng netwerken in kaart. Door relaties en posities in het netwerk in kaart te brengen, lukt het om actief het gesprek aan te gaan om relaties of gedrag te veranderen. Hierbij gaat het om netwerken binnen de schoolcontext, maar ook buiten de school: met andere leeftijdsgenoten/vrienden, kennissen, ouders en bijvoorbeeld verenigingen/organisaties.
  • Bied hulp bij het benutten van sociaal kapitaal. Wie kan studenten hulp bieden? Welk netwerk hebben ze om bijvoorbeeld een stageplek te vinden (Baay, 2015; Petit & Van Esch, 2013)?? Leer studenten om te bekijken welk positief (en ook negatief!) sociaal kapitaal ze hebben en hoe ze hun netwerk effectief kunnen inzetten.
  • Heb oog voor sociale dynamieken in de klas. Bekijk actief welke verschillende typen netwerken er zijn. Wie zijn er bevriend, wie werken samen en wie gaan bij elkaar zitten?  
  • Heb aandacht voor sociale relaties en schoolprestaties. De sociale ontwikkeling van studenten en de studievoortgang zijn met elkaar verbonden. Wanneer motivatie of prestaties lager zijn dan verwacht, kan dat te maken hebben met het plezier om naar school toe te gaan. 
  • Stimuleer contact. Onbekend maakt onbemind. Door studenten in verschillende projecten met anderen te laten samenwerken, kunnen ze veel van elkaar leren. Ze gaan elkaar vaak aardiger vinden en kunnen elkaar motiveren en uitdagen om goed te presteren. 

Bewustwording stimuleren 

Welke netwerken hebben docenten en studenten? Zijn ze zich hiervan bewust? Als onderwijsprofessionals actief met groepsdynamica aan de slag gaan, en relaties en gedragingen in kaart brengen, wordt de mbo-opleiding interessanter worden voor studenten. Ze kunnen zichzelf en anderen motiveren, helpen bij vragen en elkaar uitdagen om samen het beste uit zichzelf te halen. 
 

Enkele deskundigen:


Dr. Yvonne van den Berg, Behavioural Science Institute; Ontwikkelingspsychologie, Radboud Universiteit Nijmegen.
Dr. Jan Kornelis Dijkstra, Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen.
Dr. Loes van Rijsewijk, Afdeling Onderzoek Informatie Statistiek, Gemeente Groningen.
Prof. dr. René Veenstra, Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen.

Bronnen:


REAGEREN

E-mailadres:
Plaats hier uw reactie:

REACTIES

Zoeken
Geef uw mening over de Canon

ALLE ARTIKELEN