skip to Main Content
    Geplaatst: Auteur:Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO) Update:juli 2021


Middelbaar beroepsonderwijs is voor veel geledingen van onze samenleving belangrijk. Voor studenten, voor bedrijven en instellingen, gemeenten, scholen van waaruit leerlingen naar het mbo gaan (vmbo, maar ook praktijkonderwijs, vso en havo en soms vwo en hbo) en scholen waarop mbo-leerlingen terechtkomen (hbo). In de eerste helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw, in de aanloop naar nieuwe wetgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs, was voor de overheid een belangrijke vraag of de landelijke politiek en het landelijk beleid de invloed op de gang van zaken in het middelbaar beroepsonderwijs niet zouden moeten delen. Als de overheid op afstand staat, komt er meer ruimte voor andere belanghebbenden.

Vanaf dat moment praten veel organisaties mee over het middelbaar beroepsonderwijs, op landelijk niveau maar vooral  in de regio. Deze organisaties worden doorgaans aangeduid met de term ‘actoren’. De term is niet gemunt. Dat wil zeggen dat er geen overzichtslijst is van als actor erkende organisaties of van de onderwerpen waarover actoren wel of niet mogen meepraten, of van de mate waarin hun inbreng door een mbo-instelling moet worden meegewogen in de besluitvorming. Met één uitzondering. Dat zijn de wettelijke afspraken over de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het samenstellen van de landelijke kwalificatiedossiers van het mbo. Zeg maar de examenvereisten. Maar er is geen wettelijke regeling die de invloed van actoren op regionaal niveau regelt. Evenmin zijn bepaalde overlegvormen voorgeschreven.

Er zijn inmiddels vele ‘actoren’. Niet alleen omdat veel organisaties mee willen praten, maar misschien meer nog omdat iedereen die bij het mbo betrokken is het etiket ‘actor’ krijgt. Soms zelfs personen die in het onderwijs werken, zoals blijkt uit het volgende citaat: “…dat het van groot belang is dat een dialoog ontstaat tussen het vo en het mbo, waarbij de uitvoerende actoren in het onderwijs, zoals docenten, mentoren en coaches, nauw betrokken worden.” De veelheid – en diversiteit – van de actoren nodigt uit om ze te classificeren. Een grove ordening en opsomming, die absoluut niet volledig is, zou de volgende kunnen zijn. In deze opsomming zijn overigens alleen organisaties in de landelijke en regionale omgeving van mbo-instellingen opgenomen. De lijst zou nog langer worden als we ook organisaties meetellen die zich met een bepaald thema bezighouden. Denk bijvoorbeeld aan thema’s als duurzaamheid, sociale veiligheid, voortijdig schoolverlaten of macrodoelmatigheid. Op landelijk niveau:

  • Onderwijsbeleid: het ministerie van OCW, het ministerie van EZK (innovatie), SBB, MBO Raad, NRTO, JOB, Onderwijsraad, Inspectie van het Onderwijs
  • Personeel en organisatie: MBO Raad, AOb, O-CNV, CMHF/Unie, BVMBO (Beroepsvereniging Opleiders MBO)
  • Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt: branche- en sectororganisaties, beroepsverenigingen, SBB, VNO/NCW, FNV, CNV, SER
  • Onderwijsinnovatie: Platform Talent voor Technologie, CvI, Commissie kwaliteitsafspraken MBO
  • Onderzoek en kennisontwikkeling: Cito, SLO, NRO, Kennisontwikkelingsprogramma NRO

Op regionaal- en instellingsniveau:

  • Lokale overheden: gemeenten, provincie
  • Regionale werkgeversorganisaties, KvK, bedrijven en instellingen in de regio, regionale vestigingen van sectororganisaties en het UWV
  • Regionale hulp- en zorginstanties, sportverenigingen, politie
  • Lokale studentenorganisaties
  • Vertegenwoordigers van ouders en van verschillende bevolkingsgroepen
  • Aanpalend onderwijs (vmbo, havo, hbo)
  • Lerarenopleidingen, lectoraten van hogescholen

Hoe meer zielen?

Het grote aantal actoren duidt op het belang van het beroepsonderwijs voor vele organisaties, maar heeft ook schaduwkanten. Zo merkt de Onderwijsraad op dat deze uitbreiding tot een vorm van ‘re-regulering’ heeft geleid; voor de regels van de overheid zijn regelingen van actoren in de plaats gekomen. Ook is de rol- en taakafbakening tussen actoren niet altijd helder. Bijgevolg leven er verschillende verwachtingen over de mate waarin het mbo particuliere wensen kan honoreren. Daardoor zijn spanningen tussen actoren niet te vermijden.

Dat er spanningen zouden ontstaan door de uitbreiding van het aantal actoren was te voorzien. De verwachting was echter dat die vanzelf zouden oplossen, getuige de aanname van de overheid dat actoren – om in de beeldspraak te blijven – zich aan de   hen toegedachte rol zouden houden: ‘Het nieuwe bestel zal door de aanwijzing en positionering van deze actoren een hoge mate van zelfregulering moeten kennen, waarbij de diverse actoren binnen de aan hen  bemeten taken en verantwoordelijkheden kunnen functioneren zonder voortdurende ingrepen en bijsturing door bijvoorbeeld de zijde van de Rijksoverheid’ (geciteerd bij Honingh, 2008, p. 13).

Die spanningen zijn er zeker gekomen. Het is weer de Onderwijsraad die in 2001 opmerkt dat de ruimte die voor de verschillende actoren is gemaakt niet automatisch een beter functionerende mbo-sector oplevert. Spanningen tussen de wensen van actoren kunnen verhinderen dat knopen worden doorgehakt. Actoren kunnen elkaar in de weg zitten. En besluiten van landelijke actoren kunnen wensen van lokale actoren frustreren.

We zijn jaren verder en langzamerhand ontstaat een patroon in de manier waarop actoren bij het mbo worden betrokken. Waslander, Hooge, Theisens e.a. (2017) wijzen op het ontstaan van combinaties van sectoren en beleidsthema’s in gelegenheidsnetwerken met eigen vormen van overleg en sturing. Op bestuurlijk en uitvoerend niveau worden in overleggremia afspraken gemaakt die in onderwijs worden vertaald. Je kunt zelfs zeggen dat er sprake is van een omgekeerde beweging. In plaats van proberen te voldoen aan uiteenlopende wensen probeert de mbo-instelling de invloed van actoren in netweken te kanaliseren en nodigt (interne en externe) actoren uit voor het gesprek over de eigen plannen. Een mooi voorbeeld zijn de gesprekken die mbo-instellingen voeren in de aanloop naar het opstellen van hun Kwaliteitsplannen.

Op het continuüm van meedenken tot meewerken met mbo-instellingen ontstaan  verschillende vormen van actor-betrokkenheid. Je kunt het regulering, of institutionalisering, noemen. Zeker als er geleidelijk een verschil zichtbaar wordt tussen insiders en outsiders. Het blijft belangrijk voor scholen om enerzijds de insiders niet in het idee te bevestigen dat ze hun claims zonder meer op de deurmat van de school kunnen leggen. En anderzijds een open oog te houden voor het feit dat ook de outsiders belangrijk zijn voor het draagvlak in de regio. De school is een focuspunt van meerdere belangen die – met alle actoren – ten opzichte van elkaar gewogen moeten worden.

Een groot aantal actoren is dus lastig te hanteren, maar het kanaliseren van betrokkenheid in vaste structuren en cycli kan afstand creëren en het draagvlak versmallen. En dat was ook niet de bedoeling ….

Enkele deskundigen

Prof. dr. Edith Hooge, voorzitter Onderwijsraad, hoogleraar Onderwijsbestuur, TIAS School for Business and Society, Tilburg University.
Dr. Frans de Vijlder, lector Goed Bestuur en Innovatiedynamiek in Maatschappelijke Organisaties, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.

Bronnen

Voor de stand in de ontwikkeling van de kwaliteitsplannen en -afspraken in het mbo zie: Kwaliteit mbo-opleidingen, opgevraagd op 13 juli 2021.

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top
Geef je mening over de Canon beroepsonderwijsInvullen kost een paar minuten van je tijd