skip to Main Content
    Geplaatst: Auteur:Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs Update:juli 2019

Het middelbaar beroepsonderwijs is voor veel geledingen van onze samenleving belangrijk. Voor studenten, voor bedrijven en instellingen, gemeenten, scholen van waaruit leerlingen naar het mbo gaan (vmbo, maar ook praktijkonderwijs, vso en havo en soms vwo en hbo) en scholen waarop mbo-leerlingen terechtkomen (hbo). In de eerste helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw, in de aanloop naar nieuwe wetgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs, was voor de overheid een belangrijke vraag of de landelijke politiek en het landelijk beleid de invloed op de gang van zaken in het middelbaar beroepsonderwijs niet zouden moeten delen. Als de overheid meer op afstand staat, komt er ruimte voor de inbreng van andere belanghebbenden.

Vanaf dat moment praten veel organisaties mee over het middelbaar beroepsonderwijs, op landelijk niveau maar tegenwoordig ook steeds meer in de regio. Deze organisaties worden doorgaans aangeduid met de term ‘actoren’. De term is niet gemunt. Dat wil zeggen dat er geen overzichtslijst is van als actor erkende organisaties, of van de onderwerpen waarover actoren wel of niet mogen meepraten, of van de mate waarin hun inbreng door een mbo-instelling moet worden meegewogen in de besluitvorming. Er is geen wettelijke regeling die de invloed van actoren regelt. Er is één uitzondering. Dat zijn de wettelijke afspraken over de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het samenstellen van de landelijke kwalificatiedossiers van het mbo. Zeg maar de examenvereisten. Evenmin zijn bepaalde overlegvormen voorgeschreven. Het is eerder andersom; het is gebruikelijk geworden om organisaties die, op uitnodiging of op eigen initiatief, bij het beroepsonderwijs betrokken willen zijn ‘actor’ te noemen. Er zijn inmiddels vele ‘actoren’. Niet alleen omdat veel organisaties mee willen praten, maar misschien meer nog omdat iedereen die bij het mbo betrokken is het etiket ‘actor’ krijgt. Soms zelfs personen die in het onderwijs werken, zoals blijkt uit het volgende citaat: “dat het van groot belang is dat een dialoog ontstaat tussen het vo en het mbo, waarbij de uitvoerende actoren in het onderwijs, zoals docenten, mentoren en coaches, nauw betrokken worden.”De veelheid – en diversiteit van – actoren nodigt uit om ze te classificeren. Een grove ordening en opsomming,
die absoluut niet volledig is, zou de volgende kunnen zijn. In deze opsomming zijn overigens alleen organisaties
in de landelijke en regionale omgeving van mbo-instellingen opgenomen. De lijst zou nog langer worden als ook organisaties die zich rond een bepaald thema organiseren in het overzicht worden opgenomen. Denk bijvoorbeeld aan thema’s als strategisch beleid, sociale veiligheid of LOB.Op landelijk niveau:

  • Onderwijsbeleid: het ministerie van OCW, het ministerie van EZ (innovatie landbouwonderwijs), SBB, MBO Raad, NRTO, JOB, Onderwijsraad, Inspectie van het Onderwijs
  • Personeel en organisatie: MBO Raad, AOb, O-CNV, CMHF/Unie, BVMBO (Beroepsvereniging Opleiders MBO)
  • Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt: branche- en sectororganisaties, beroepsverenigingen, SBB, VNO/NCW, FNV, CNV, SER
  • Onderwijsinnovatie: MBO in bedrijf, Platform Bèta Techniek, CvI
  • Onderzoek en kennisontwikkeling: Cito, ecbo, SLO, NRO

Op regionaal- en instellingsniveau:

  • Lokale overheden: gemeenten, provincie
  • Regionale werkgeversorganisaties, KvK, het regionaal bedrijfsleven, regionale vestigingen van sectororganisaties
  • Regionale hulp- en zorginstanties, sportverenigingen, politie
  • Lokale studentenorganisaties
  • Vertegenwoordigers van ouders en van verschillende bevolkingsgroepen
  • Aanpalend onderwijs (vmbo, havo, hbo)
  • Lerarenopleidingen, lectoraten van hogescholen

Hoe meer zielen?

Het grote aantal actoren duidt op het belang van het beroepsonderwijs voor vele organisaties, maar heeft ook schaduwkanten. Zo merkt de Onderwijsraad op dat deze uitbreiding tot een vorm van ‘re-regulering’ heeft geleid; voor de regels van de overheid zijn regelingen van actoren in de plaats gekomen. Ook is de rol- en taakafbakening tussen actoren niet altijd helder. Daardoor zijn spanningen tussen actoren niet te vermijden.

Dat er spanningen zouden ontstaan door de uitbreiding van het aantal actoren was te voorzien. De verwachting was echter dat die vanzelf zouden oplossen, getuige de aanname van de overheid dat actoren – om in de beeldspraak te blijven – zich aan de hen toegedachte rol zouden houden: ‘Het nieuwe bestel zal door de aanwijzing en positionering van deze actoren een hoge mate van zelfregulering moeten kennen, waarbij de diverse actoren binnen de aan hen bemeten taken en verantwoordelijkheden kunnen functioneren zonder voortdurende ingrepen en bijsturing door bijvoorbeeld de zijde van de Rijksoverheid’ (geciteerd bij Honingh, 2008, p. 13).

De aanname is van 1993 en spanningen zijn er zeker gekomen. Het is weer de Onderwijsraad die in 2001 opmerkt dat de ruimte die voor de verschillende actoren is gemaakt niet automatisch een beter functionerende mbo-sector oplevert. Spanningen tussen de wensen van actoren kunnen verhinderen dat knopen worden doorgehakt. Actoren kunnen elkaar in de weg zitten. En besluiten van landelijke actoren kunnen wensen van lokale actoren frustreren.

We zijn jaren verder en langzamerhand ontstaat een patroon in de manier waarop actoren bij het mbo worden betrokken. Waslander, Hooge, Theisens e.a. (2017) wijzen op het ontstaan van combinaties van sectoren en beleidsthema’s in gelegenheidsnetwerken met eigen vormen van overleg en sturing. Op bestuurlijk en uitvoerend niveau worden in overleggremia afspraken gemaakt die in onderwijs worden vertaald. Je kunt zelfs zeggen dat er sprake is van een omgekeerde beweging. In plaats van proberen te voldoen aan uiteenlopende wensen neemt de mbo-instelling zelf de regie en nodigt (interne en externe) actoren uit voor het gesprek over de eigen plannen. Een mooi voorbeeld zijn de gesprekken die mbo-instellingen voeren in de aanloop naar het opstellen van hun Kwaliteitsplannen.

Op het continuüm van meedenken tot meewerken zien we verschillende vormen van betrokkenheid van actoren bij het mbo ontstaan. Je kunt het vormen van regulering, of institutionalisering, noemen. Zeker als er geleidelijk een verschil zichtbaar wordt tussen insiders en outsiders en een jaarcyclus de inbreng dicteert. Het blijft belangrijk voor scholen om actoren niet in het idee te bevestigen dat ze hun claims zonder meer op de deurmat van de school kunnen leggen. De school blijft een focuspunt van meerdere belangen die – met alle actoren – ten opzichte van elkaar gewogen moeten worden. Een groot aantal actoren is dus lastig te hanteren, maar het kanaliseren van betrokkenheid in vaste structuren en cycli kan afstand creëren en het draagvlak versmallen. En dat was ook niet de bedoeling ….

Enkele deskundigen

Prof. dr. Edith Hooge, voorzitter Onderwijsraad, hoogleraar Onderwijsbestuur, TIAS School for Business and Society, Tilburg University.
Dr. Frans de Vijlder, lector Goed Bestuur en Innovatiedynamiek in Maatschappelijke Organisaties, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.

Bronnen

  • Bronneman-Helmers, R. (2011). Overheid en onderwijsbestel. Beleidsvorming rond het Nederlandse Onderwijsstelsel (1990-2010). (dissertatie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Expertisepunt LOB (z.j.). Versterking van LOB in de doorlopende leerlijn vmbo-mbo. De actoren in een doorlopende leerlijn LOB. Woerden: MBO Raad.
  • Honingh, M. E. (2008). Beroepsonderwijs tussen Publiek en Privaat. Een studie naar opvattingen en gedrag van docenten en middenmanagers in bekostigde en niet-bekostigde onderwijsinstellingen voor middelbaar beroepsonderwijs (dissertatie). Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
  • Lenssen, L. (2011). Hoe sterk is de eenzame fietser? Een onderzoek naar de relatie tussen individuele ontwikkeling en de toegankelijkheid van het onderwijsbestel in Nederland. (dissertatie)Antwerpen-Apeldoorn: Garant.
  • Onderwijsraad (2001). WEB: werk in uitvoering. Een voorlopige evaluatie van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
  • Vink, R., Oosterling, M., Vermeulen, M., Eimers, T., &, Kennis, R. (2010). Doelmatigheid van het middelbaar beroepsonderwijs. Tilburg/Nijmegen: IVA Onderzoek en advies.
  • Waslander, S., Hooge, E. H., & Theisens, H. C., (2017). Zicht op sturingsdynamiek. Tilburg: TIAS School for Business and Society

Voor de stand in de ontwikkeling van de kwaliteitsplannen en -afspraken in het mbo zie: https://www.kwaliteitsafsprakenmbo.nl/beleid/kwaliteitsplan

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top
Geef je mening over de Canon beroepsonderwijsInvullen kost een paar minuten van je tijd